Ik heb niets met voetbal, helemaal niets. Het zal vast een mankement aan mijn Hollandse chromosomenstructuur zijn, dat ik nooit enig enthousiasme heb kunnen opbrengen voor een spel waarin tweeëntwintig mannen anderhalf uur lang achter de bal aan rennen. Oké, toegegeven, de wedstrijd Spanje-Duitsland heb ik in zijn geheel bekeken, maar wie vindt het nu niet leuk om op voorhand zelfbenoemde overwinnaars - onze snoevende Oosterburen - genadeloos in de pan gehakt te zien worden.
De Oranjegekte die er al anderhalve week geleden bij ons vertrek uit Nederland heerste, kent hier in Periana, het dichtstbijzijnde dorp, geen vergelijk. Sporadisch tuft er een auto langs met een vlaggetje, grotere exemplaren zijn mondjesmaat verdeeld over de totale bevolking en voetbalshirts tref je voornamelijk aan bij de jeugd.
Het verbaasde me dan ook niet dat afgelopen zaterdag in het winkelcentrum aan zee de keus aan oranje goederen die in rood-geel ruimschoots overtrof. Oranje ligstoelen,oranje partytenten, oranje bikini´s, oranje sinaasappelen, overal waar ik keek overheerste oranje: dit moest een teken zijn.
Toen ik dan ook een bijna fluorescerend oranje shirtje zag hangen dat gewoon zeer deed aan de ogen en waarnaast een fan van La Furia Roja (de rode woede, de bijnaam voor het Spaanse elftal) zou verbleken, kon ik de verleiding niet weerstaan en schafte ik een kledingstuk aan, waarvan mijn kinderen nooit hadden kunnen dromen dat hun vader dat ooit zou dragen. Was dit nu het eerste bewijs van latent aanwezige vaderlandsliefde? Betekende dit een opmaat naar een toekomst gevuld met bier, bitterballen en Studio Sport? Of was het een opstandige reactie tegen de lachende klappen op mijn schouder van mijn Spaanse vrienden waarbij ze mij al bij voorbaat op troostende woorden onthaalden?
‘Zie ik je zondag in bar Verdugo voor de wedstrijd?’ had de vrachtwagenchauffeur die hier stenen kwam lossen een paar dagen geleden gevraagd. ‘Tuurlijk,’ was mijn spontane antwoord geweest. In deze overvolle dorpskroeg zou die ene Nederlander tussen de joelende en schreeuwende voetbalfans totaal niet opvallen. Maar toen wist ik nog niet dat ik hét shirt tegen zou komen.
Naarmate gisteren de dag vorderde bekroop mij toch af en toe een onrustig gevoel. Dat werd nog extra gevoed door de vondst van twee opblaasbare oranje kronen van de Staatsloterij die Renata in een opwelling vanuit Nederland bleek meegenomen te hebben. Gelukkig hadden Jorge en Agnes, onze Nederlandse buren die al 30 jaar in Spanje wonen, toegezegd mee te gaan, dus steun zou er zijn.
Om half acht liepen we de bar binnen, de buren incognito, Renata met een uitbundige oranje winterpeen in haar haren en ik in het vermaledijde shirtje. De tent zat stampvol voetbalfans, weliswaar niet uitgedost zoals je dat in Nederland ziet, maar toch. ‘Laat de leeuw niet in zijn hempie staan’ kreeg ineens een heel andere betekenis voor me nu ik in zijn hol zat.
Mijn hart sprong op toen ik zag dat ik niet de enige was in oranje outfit. Aan de bar zat nog een slachtoffer. Bij navraag bleek het helaas niet om een medefan te gaan, de man wist niet eens dat oranje de kleur van Nederland was, het was zijn zondagse merkshirt.
We betrokken een centraal tafeltje, bliezen onze kroontjes op en bestelden drank en een mega portie ‘pulpo Paul fritto’ (onder het mom dat je dit nederlaag voorspellende orakel het best krokant gebakken in olijfolie kan wegwerken).
Over de wedstrijd kan ik kort zijn: door het enthousiasme om me heen en het ontzettend snelle en opzwepende gebrabbel van de Spaanse commentator vlogen er 116 minuten voorbij. Toen, net op het moment dat ik besloot nog wat meer lucht in mijn oranje kroon te blazen zodat hij straks bij het penaltyschieten nog fierder overeind zou staan, barstte de kroeg uit haar voegen en moest ik het doen met de herhaling.
Vier minuten later had ik er honderd, troostbrengende, vrienden bij.
Overgoten met wijn ligt mijn shirtje nu in het bidet te weken en verdrink ik mijn kater straks in het zwembad.
En de kroontjes? De Spaanse kinderen vonden ze fantastisch.
Enge mensen bevinden zich in alle lagen van de bevolking en ook in de wereld der New Agers werd mij enkele tientallen jaren geleden duidelijk. Ik bezocht toen een spiritueel klooster; de goeroe van het centrum predikte zijn gevolg van overspannen managers, geflipte directeuren en zoekende zonderlingen de fasen van verlichting middels het lichter maken van hun zakken. Helaas ontdekte ik dat de man zelve nog immer aan het aardse gebonden was met zijn voorliefde voor Jaguars (de automobielen) en dure huizen en besloot mijn heil elders te zoeken.
Wonen op een berg in het Spaanse vergt soms wat improvisatievermogen, maar na anderhalve week van ontberingen in de vorm van natte voeten, exotische fungusvorming, opengebroken vloeren, manoeuvreren tussen koud, warm dan wel helemaal geen water en het opstoken van de vloerverwarming terwijl buiten de mussen van het dak vallen, bleek mijn optimistische kampeerderinstelling zijn plafond te hebben bereikt. Nu ik erover nadenk, bedenk ik me dat ik nooit een kampeerinborst heb bezeten. Wat een geluk dat ik dat afgelopen week vergeten was. Maar dit terzijde.
Het was pure euforie, toen mijn lief José de kreet ‘Eureka, ik heb het gevonden!’ slaakte en als oorzaak van onze erbarmelijke omstandigheden een lek in de warmwaterleiding wist aan te wijzen. Een telefoontje naar Paco el fontanero (de loodgieter) leverde de geruststelling op dat hij reedsonderweg was om ons met zijn magische handelingen terug in de 21e eeuw te helpen. Nog geen kwartier later werd er aan de bel getrokken en waren wij verbaasd dat onze redder de tocht over drie bergen zo snel had weten af te leggen. José bereikte met zijn ellenlange benen als eerste de voordeur. Wat er echter over de drempel stapte had werkelijk niets van een Spaanse loodgieter. De wat hoekige tongval klonk totaal anders en verried dat we mogelijk met zwei Deutsche Leute van doen hadden. Dit vermoeden werd nog versterkt door de overrompelende manier van binnenvallen (zeer Duits volgens geschiedkundigen), hoewel het verschil in uiterlijk van de twee meer van een universeler model sprak, zoals je deze overal ter wereld kan tegenkomen. De koploper met een gebeitelde glimlach van oor-tot-oor en het uiterlijk van een overjarige hippie, met lang uitdunnend krulhaar (misschien kent u het type - nijver pogend met de laatste spaarzame krullen de steeds groter wordende kaalslag op het hoofd te camoufleren – een man die je het liefst zou willen adviseren de boel eraf te scheren omdat het zo triest oogt), gekleed in onvermijdelijk zwart oversized T-shirt met Boeddha-afbeelding en onverschrokken voortstappend op onverslijtbare Jezussandalen en een wat voorzichtiger, maar geenszins timide kameraad van het soort snelle-jongen-in-vrijetijdsoutfit: een ton sur ton shorts met zomers overhemd combinatie, designgympen en een preventief kaalgeschoren kop met rieten cowboyhoed.
Duitsers, zweverige types? Was er niet een verhaal over een Duitse New Age projectontwikkelaar die het stuk grond een aantal percelen verder had gekocht? Met grootse plannen om daar een spiritueel centrum te bouwen wat zijn weerga niet kende? En die, nadat de bouwvergunning was afgewezen,met de noorderzon vertrokken was (volgens insiders met het geld van verlichte investeerders)? Zelfde stuk grond, zelfde nationaliteit, het kon bijna niet anders. En jawel, het bleken onze vermiste buren.
Kalend Krulhaar ontweek het José aan te kijken en stevende met uitgestoken hand op me af, mij doorborend met een alwetende blik; even vreesde ik voor een oogafwijking bij de arme man, maar gelukkig bleek het hier te gaan om de intieme gedragscode der zeer verlichten. Herkenning van mijn kant bleef echter– met dank aan de voornoemde Jaguarliefhebber – uit; wel gingen de haren in mijn nek overeind staan. Als rechtgeaard lafaard vluchtte ik dan ook onder het mompelen van ‘entschuldigung, ich spreche keine Deutsch’ naar mijn werkkamer. José, mijn talenwonder, kon het vast wel alleen af.
Een klein half uurtje later klonk de bel nogmaals. Dit keer was het wel echt Paco die zijn opwachting maakte, het gereedschap in de aanslag. Ter ondersteuning van de werkzaamheden bood José beide rechterhanden aan, maar zelfstoen er daarop een kabaal van jewelste klonk, vonden onze Duitse vrienden niet dat het tijd werd om op te krassen… Daarom verliet ik, de lafaard, schoorvoetend mijn kamer om me met tegenzin van mijn taak als gastvrouw te kwijten en het geanimeerde gesprek in halfslachtig Engels op gang te houden.
Zich tegoed doend aan de biervoorraad, begonnen onze nieuwbakken buren alsof het niks was wilde plannen op tafel te smijten: een zwembad, een macrobiotisch eethuis, meditaties geleid door de grootheden der aarde, samenzweringen met andere, in de Andalusische bergen verstopte, spirituele centra en - Kalend Krulhaar had vernomen dat ik muzikant was - concerten in de grotten van Nerja met allemaal internationale beroemdheden. Wat ik daarvan vond? Ik bromde wat positief motiverends als ‘mooie plek daar’ en hoopte ondertussen dat deze hoogsensitieve freunden doorkregen dat ik nu liever Spaans-Koeterwaals met de loodgieter bezigde, dan te proberen mijn aandacht bij het megalomane gezwam van hen te houden. Helaas, ze bleven het ene na het andere plan opperen ter verbetering van de staat van de wereld en - dat was me nu wel duidelijk - van hun portemonnee. Er werd door Kalend Krulhaar om mijn contactgegevens gevraagd. Ondanks zijn beklag dat hij problemen had met internet en alleen beschikking had over Skype (?) en mobiel, volstond ik met mijn emailadres; ik voelde er weinig voor hem als mijn nieuwste telefoonbuddy toe te voegen.
Aan al het goede komt echter een einde, dus ook aan het bier, en eindelijk besloten onze gasten het gebouw te verlaten. In het vrolijke gezelschap van Paco dronken we vervolgens de laatste verdonkeremaande blikjes bier om te vieren dat de lekkage verholpen was.
Voor het naar bed gaan herinnerde ik me het visitekaartje dat ik die middag gekregen had. Ik haalde het uit mijn broekzak en zag dat mijnheer Kalend Krulhaar, alias Rechunpa, een nijver baasje was die niet had stilgezeten: Artist, Teacher, Healer, Founder & Principal of ProKulturgut.Net.e.V., Rector of Akademie der Culturen NRW, Artdirector of ArtPro – MediArt – Metamorphose, CEO of Monte Alegre – ArteCreativa Hispano SL.
Het toekomstige spirituele woonoord kampte begin dit jaar niet alleen met ‘Bewegende Grond’.
Waarschijnlijk zou hij al die titels nog hard nodig hebben ook bij het realiseren van Utopia: het vinden van mensen die gek genoeg zouden zijn om in zijn maniakale plannen te investeren, het verkrijgen van een bouwvergunning (schier onmogelijk, vorig jaar is de burgemeester van dit gebied de gevangenis ingedraaid wegens steekpenningen en bouwfraude en zijn opvolger kijkt wel link uit hetzelfde pad op te gaan en geeft nog slechts vergunningen af als ware het relikwieën. Daarnaast heeft een bouwvergunning voor dat stuk land weinig zin, het is ‘Bewegende Grond’ en daarop bouwen is sowieso uit den boze), het inlossen van de schulden die op het terrein rustten en dan nog eens de hele weg door de Spaanse bureaucratie… Hoe het ook zij, ik wenste hem in gedachten veel sterkte, mezelf welterusten en dook mijn bed in.
Uitgerust opende ik de volgende morgen mijn ogen en een half uur later mijn mailbox. Het eerste wat ik aantrof was een pagina’s lange mail van… onze nieuwe buurman. Nou ja, een mail? Een projectplan voor een ‘World-Fusion Musikprojekt 2011’ in de grotten van Nerja! Stomverbaasd keek ik hoe mijn naam en instrument als eerste op het lijstje deelnemende muzikanten prijkte, gevolgd door Kalend Krulhaar Rechunpa op neusfluit en een heel scala aan coryfeeën uit de wereld van de intuïtieve muziek (?!).Al zeiden de namen op het lijstje me niets, ik ben meer van de wereld van rockmet ballen. Duidelijk was echter wel dat hij niet had stilgezeten. Bij het verder lezen begon mijn onderkaak last te krijgen van de zwaartekracht: ons huis zou de basis gaan vormen voor bijeenkomsten en vergaderingen, repetities en overnachtingen (inclusief hap en drank) van de wereldsterren en tussen de regels door viel te lezen dat een investering in het project onzerzijds niet meer dan natuurlijk was. Had ik iets gemist de vorige dag? Was ik slachtoffer van de Duits-Engels-Spaanse Babylonische spraakverwarring? Gelukkig wist José me gerust te stellen en stuurde onze waarde Rechunpa nog dezelfde dag een mailtje terug dat aan duidelijkheid niets te wensen over liet.
’s Avonds kon ik dan ook met een gerust gemoed de slaap vatten. Midden in de nacht schoot ik wakker. Ik had gedroomd dat ik in de grotten van Nerja was opgesloten met een cohort zweverikken, gewapend met neusfluiten en cimbalen, en met levenloze glimlachen op hun gezicht.
Al een paar weken doe ik mijn uiterste best om het woord misbruik uit mijn hoofd te zetten. Ik wil het namelijk uit mijn systeem hebben en weer verder kunnen gaan met mijn leven. Maar net als stoppen met roken blijkt stoppen met denken eraan ontzettend moeilijk. Altijd is er wel het excuus om te kijken of er op twitter geen nieuwe gegevens boven water zijn gekomen, altijd wel valt je oog op juist dat stukje van je internetkrant waar het woord rooms katholieke kerk, broeder, frater, pater, priester, bisschop, kardinaal of paus in de aanhef staat.
Het is een verslaving geworden, je kunt niet meer zonder lijkt het wel. Je “rookt” de hele dag, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Terwijl je daarvoor toch 45 jaar gestopt was.
“Roken kan ernstige schade aan de gezondheid toebrengen” staat er op een pakje sigaretten. Misbruik ook, merk ik nu.
Daarnaast is het ook net als roken schadelijk voor je omgeving. Men staat er misschien niet bij stil maar je geliefde “rookt” ook mee, je kinderen “roken” mee, je vrienden.
Vreemd eigenlijk dat de media het daar nooit over hebben. Niet sensationeel genoeg?
Er is maar één remedie: stoppen! Gewoon het M–woord schrappen!
Oké, dat is dus duidelijk. Nu nog een datum.
Het beste zou vandaag zijn natuurlijk. Maar dat is misschien te bruusk, ik moet toch even af kunnen kicken, denk ik. En 4 mei heb ik een etentje met een bevriend medeslachtoffer en zijn vrouw, dus dan zal er wel “gerookt” worden.
Weet je wat? Ik stop 5 mei, op Bevrijdingsdag! Toepasselijk toch?
Toevallig is het dan ook precies 2 maanden geleden dat ik hier in Spanje aan RTL mijn interview gaf. Een interview waarvan ik vond dat ik het moest geven en waarvan ik dacht dat het geen kwaad kon. Net als die ene sigaret die je na jaren gestopt te zijn bij een bijzondere gelegenheid opsteekt. Daarvan denk je ook: het blijft bij die ene, hierna stop ik weer.
5 mei dus, deal Hennekam!
En Pater Noster?
Dat wordt weer een verhaal. Het verhaal van een internaatsjongetje dat warmte en genegenheid zocht en wiens vertrouwen in de mensen die voor hem zouden zorgen langzaam maar zeker beschaamd werd.
Het verhaal van een jongetje wiens droom in duigen viel.
Razend populair zijn ze de laatste tijd: intense mannen.
De professor op televisie die vol kleuren en geuren een mogelijk einde der mensheid verkondigt als was het de allernieuwste attractie van de Efteling is duidelijk een intense man.
De gepassioneerde tangodanser die vol vuur zijn dame links en rechts de dansvloer over gooit en de gitarist die nog blijft spelen als het publiek allang vertrokken is? Intense mannen, zonder meer.
De kok die nog iedere dag met gesloten ogen zijn pollepel aflikt en zich in vervoering door de aroma’s naar hogere sferen laat afvoeren? Nog zo eentje.
‘Wat heb je toch een leuke intense man,’ stoot mijn buurvrouw mij aan.
Met de mededeling dat intense mannen ook heel intens liefhebben - wat in het geval van aandachtsbehoeftige ondergetekende zeker mooi mee genomen is –weet ik mij van de aandacht van mijn mededame verzekert.
Inderdaad, mijn lief start iedere dag alsof het de laatste dag van de wereld is; niet volgens het doemscenario van voornoemde professor, maar meer als een spannend schoolreisje vol verrassingen. Wanneer ik nog kreunend en krakend de nachtelijke verwarring van me af aan het schudden ben en me moeizaam overgeef aan een bestaan van waken, heeft mijn intense lief er al een volledige dagtaak van eitjes koken, sinaasappelen persen en brood bakken op zitten (het complete arsenaal van wakkerknuffelen, scheren, het deponeren van sanitaire behoeftes, douchen, het opengooien van luiken, checken van mail en het te berde brengen van onbekende aria’s van verguisde tenoren zijn daar reeds aan vooraf gegaan). En ondanks de honderdduizend plannen die al door zijn hoofd wervelen, slaagt hij erin om mij minstens 2 minuten te laten acclimatiseren, alvorens hij zijn waterval aan energie over mij uitstort.
Je kan een dag slechter beginnen.
Ook in schrijven is hij intens: tijdens het componeren van een boek bevolken zijn personages alle hoeken en gaten van ons huishouden en niet zelden zijn het zeer aanwezige en nogal opdringerige types, die ik tijdens het koken en minnekozen regelmatig het huis uit moet jagen.
Mijn eigen – wat schuchtere, want prille – creaties vertonen nogal eens de neiging de benen te nemen voor deze invasie. Maar als goede opvoeders trachten we ze wel allemaal eerlijk aan bod te laten komen.
Gelijkenissen met Don Quichote, die intense wereldverbeteraar en hemelbestormer pur sang zijn legio. Waarlijk getroffen door onrecht en gekwetst door onbegrip besluit hij misstanden altijd stante pede recht te zetten. En – ondanks ontbrekende moeder theresa-genen – probeer ik mij van mijn taak te kwijten en lap mijn eigen Don na elke ronde in de ring op.
Met meer en minder positieve resultaten.
Schrijver, geliefde, idealist, kok, smulpaap, missionaris zonder kerk, reiziger, levensgenieter, verhalenverteller – noem een onderwerp waarover hij niet uren wil uitweiden: welk meisje wil zo’n man nou niet?
‘Maar vergeet niet de alinea over het ‘uit’-knopje, op pagina 3 van de bijgeleverde gebruiksaanwijzing, goed door te nemen,’ druk ik mijn buurvrouw op het hart.
Want soms overhandig ik mijn intense man zijn valiesje en fluister in zijn oor: ‘Lief, wordt het niet eens tijd om…’
Waarop hij onverdroten de wereld in trekt om buitenshuis obstakels te beslechten. 100%, zoals altijd.
Heimelijk geef ik mij dan over aan gedachteloze dromerijen en doelloze vrouwendingen, het in een ruk uitlezen van die stapel boeken zonder onderbreking, het vervolgen van de weerbaarheidstraining van mijn eigen geesteskinderen en dineren met pindakaas.
Heerlijk die stilte…
Maar na een week wordt de stilte oorverdovend, mis ik de praatjes en gezelligheid, de verhitte discussies en zijn armen om me heen.
Hij noemde me een smerige atheïst en ‘nestbevuiler’.
“Komt ervan. Je had je maar aan de regels moeten houden.” Wat die regels waren stond in zijn e-mail niet vermeld. En dat ik me maar beter realiseer dat dit alles voorbij gaat. En dat tijd altijd in het voordeel van de kerk heeft gespeeld. De kerk overleeft, al meer dan 2000 jaar. Ik zal daar niets aan veranderen. Met mijn “vuilspuiterij” niet, met mijn artikels in De Standaard en De Tijd niet, de misbruikten niet, niets wat in de pers verschijnt zal de kerk veranderen.
Ik krijg eerlijk gezegd meestal meer zalfachtige e-mails dan deze. Hoewel het bericht over de kerk ging, ontbrak elk verband met God. De boodschapper probeerde twee pagina’s verder nog ergens moralistisch te zijn, maar sinds Professor Vermeersch weet ik dat God ook gebonden is aan moraal.
Ik probeerde de mensen die me hun misbruikverhalen stuurden ervan te overtuigen om er iets mee te doen. Ze openbaar te maken, via welke weg dan ook. Vandaag is de pers blijkbaar de enige veilige haven, hoewel eens aangemeerd, ook daar de moed ontbreekt om het schip dieper op zee te brengen. En als de slachtoffers er niet zelf willen naar buiten komen, of ze me dan zouden toelaten dat in hun plaats te doen. Ik beloofde geen namen te noemen, als ze dat niets wensten. Dat ze zelf moesten bepalen welk fragment van welke zin uit een bladzijdelange verhalen ik kon gebruiken, welke mogelijke verwijzing ik best weglaat zodat ze niet in verband zouden worden gebracht met de uitspraak. Te schrappen wat te veel is, toe te voegen wat ik zelf uit respect, misschien wel uit gêne, heb weggelaten en dan van hen toch zou mogen. Het is dansen op een te slap gespannen koord. Elk woord gewikt en gewogen. Misbruik kent geen vallen naar links of naar rechts. Vertellen over misbruik is staan of vallen. Vallen dus.
“Ik besefte niet dat wat hij deed niet paste. Dat dit misschien iets was wat ik nog niet kende en anderen wel. Dus ik liet het de eerste keer gebeuren. De fout van mijn leven.”
“Ik weet nu dat hij me door de lagere school heeft geholpen. Ik was 10, een gemiddeld onopvallende leerling. Altijd “plaats” zestien in mijn rapport, punten telden niet, plaats was voor de ouders belangrijk, in een klas van vierentwintig. En plots, vierde studiejaar, tweede van de klas. Eerste zou te veel opgevallen zijn, tweede was me een jaar lang niet onbelangrijk, spijts wat ik daarvoor moest doen. Ik vergeef het me vandaag nog altijd niet. Ik ben niet stom, ik weet toch wat daar toen gebeurde. De man is dood. Ik heb mijn rapporten nog voor me liggen. Ik heb nog altijd het gevoel dat ik het was die mijn punten veranderde.”
“Hij trok me op aan mijn oren, ik woog amper 35 kilo, maar hij liet me hangen, twintig centimeter van de grond, ik dacht dat mijn oren zouden afscheuren. De prefect had een zogezegd probleem: één nier, en daardoor was hij wat harder, omwille van de pijn, en dat werkte hij dan uit op ons. We moesten dat begrijpen. We moesten dat aanvaarden. Tot één van ons, die aan zijn “fabrissen” werd omhoog getrokken, hem een schop in zijn kruis gaf. En dan stond hij daar met korte haartjes tussen zijn duim en wijsvinger, en maakte zich belachelijk bij de vrienden die toekeken. Ik was de held, maar niet voor lang. Daarna was de hel los.”
“Mijn moeder heeft nooit begrepen waarom ik plots zo goed presteerde. Ze was gewoon fier, en ik elf. Ik wou dat zo houden. En mijn vader was trots, en mijn vrienden nijdig. En mijn leraar lief. Hij gaf me de antwoorden op de vragen van het examen van de volgende dag. Ik vraag me vandaag nog altijd af hoe het komt dat ik begreep wat hij wou. Dat ik langzaam zijn ‘bondgenoot’ werd. Zijn “préferé”, zijn lieveling.”
“Ik wil hem het liefst gewoon opzoeken, de deur openen, een wapen nemen en schieten. Ik stel me voor dat dit me genoegdoening zou kunnen geven, maar waarschijnlijk is zelfs dat nog niet genoeg.”
“Hij zei me dat ik spaarzaam moest zijn met mijn zaad. Dat ik maar ‘recht’ had op zoveel ejaculaties. En dat elke zaadlozing met hem, mij drie extra goddelijke zaadlozingen zou opbrengen voor later.”
“Hij stonk. Dat weet ik nog heel goed. En hij had een ruwe baard. Ik heb me in het eerste jaar Latijn gewoon laten buizen om van hem vanaf te zijn. Er was geen afdeling ‘moderne’ in de school, dus als ik gebuisd was moest ik wel ergens anders naartoe.”
“De man was godverdomme aalmoezenier. Ondertussen bijna heilig verklaard. Eerst gewoon priester, leraar Latijn en godsdienst, dan hogerop en verantwoordelijk voor het hele college. Geen kat had me geloofd. Niemand zou me geloven. Waarom zou ik je toelaten daarover te schrijven, me bloot te geven, hem aan te klagen. Het varken stierf vorig jaar. De geur gaat niet weg, maar met iemand van de kerk wil ik nooit meer praten.”
“En dan vroeg ik me af waarom ik eigenlijk niet gewoon ‘nee’ zei. Ik weet niet meer wanneer ik me dat afvroeg, het kan ook zijn dat dit pas later kwam. Maar ik had ‘nee’ moeten zeggen, misschien had het geholpen. Misschien had hij dan zijn handen thuis gehouden, mij gerust gelaten, iemand anders gezocht. Ik heb het maar aan iemand kunnen vertellen als ik 53 werd. Toevallig, hij begon er over, over wat hij zelf had meegemaakt, en ik begon gewoon te wenen. En te vertellen. En dan kwam alles naar boven. Ik ben nu 59 en ween nog elke dag.”
“Ik kan de kranten niet meer lezen. Mijn vrouw zegt dat het me zou helpen. Dat ik daardoor begrijp dat ik niet de enige was. Maar wat voor een troost is het, te weten dat ik niet de enige was? Het maakt mij alleen maar zieker.”
“Ik dacht toen dat het normaal was dat ik probeerde ander jongens te zoenen in het internaat. Dat ik hetzelfde deed als wat hij met mij deed. Dat we ons stiekem verstopten en elkaar aanraakten, eigenlijk lief hadden. Tot ik mijn eerste liefje tegenkwam, en wegliep om te kotsen. Toen kwam alles bij me naar boven, alles wat ik daarna nog zo lang zou verdringen.”
“Ik wil geen geld, ik wil geen therapie, ik wil met niemand praten, ik wil geen meldpunt. Ik wil wraak, en weet niet hoe die te organiseren. Binnen drie maanden spreekt niemand hier nog over, dan is de pers moe, zijn de lezers moe, en vervaagt het probleem. Maar niet voor mij.”
In “Die Zeit” van deze woensdag staat een interview met Klaus Mertes, het schoolhoofd van het elite-Canisiuscollege uit Berlijn, de man die in januari 2010 in Duitsland alles aan het rollen bracht. Hij nam de moedige beslissing, na enkele meldingen van misbruik jaren geleden in het college waar hij nu verantwoordelijk voor is, om alle leerlingen die in die periode aan de school zaten een brief te schrijven met het verzoek met hun verhaal te komen. Alles wat in Duitsland sindsdien aan de oppervlakte is gekomen is aan hem te danken. Op de vraag wat zijn grootste kritiek is aan de Duitse bisschoppen antwoordt hij: “De angst is het hoofdprobleem. Ik ken die ook, die heb ik ook. De bisschoppen echter die zichzelf nu bijna als slachtoffer positioneren, brengen de gehele kerk in diskrediet… ik denk soms, zo ontstaat geschiedenis die zich van onderuit naar boven schrijft, ongepland, zo ontwikkelt zich een gans eigen dynamiek. Het misbruikthema omvat alle fundamentele vragen van de christelijke spiritualiteit.”
In Oostenrijk groeit elke dag de kritiek op de aanstelling van Waltraud Klasnic als “onafhankelijke” aan het hoofd van het door het Bisdom ingerichte meldpunt voor misbruik binnen de kerk. Ze werd door Christoph Kardinaal en Graaf von Schönborn aangekondigd als oplossing, als absoluut neutraal persoon die haar functie opvatte als een “erefunctie”, wat in Oostenrijk een duidelijke betekenis heeft: ze doet het “uit eergevoel”. Dus niet betaald, vrij van financiële opdrachtgevers, uit burgerzin. Dat ondertussen uitgelekt is dat ze zich via haar PR-firma toch ruimschoots laat vergoeden voor “lopende kosten”, vervoer, telefoonkosten verbonden aan het crisisnummer dat ze ondertussen naar het PR-bureau heeft afgeleid en dus bemand moet worden (de vraag is door wie met welke bevoegdheid en opleiding?), werkt niet bepaald in haar voordeel.
Aanmodderen is het woord. Van het ene trieste model naar het andere.
In Duitsland werd deze week een echte onafhankelijke commissie opgericht, door de staat georganiseerd, dus onafhankelijk van de kerk. Verjaring wordt afgeschaft, ook slachtoffers die weten dat hun daders ondertussen gestorven zijn, vinden daar een oplossing. Het ontmoedigen is in Duitsland gestopt.
Vraagt iemand in een e-mail: “Maar wat willen al die zogezegde slachtoffers dan? Ze willen niet praten met bestaande meldpunten, ze willen geen geld, ze willen geen medelijden. Willen ze eigenlijk wel dat er een oplossing komt? Of wentelen zich liefst in hun slachtofferrol?”
Nee, kijk gewoon naar “Koppen” van deze week op VRT. Twee moedige mannen getuigen. Aangrijpend en onthullend tegelijk. En dan nog slaagt de VRT erin aan het einde van deze tien minuten openbaring het noodnummer 078 15 30 70 - Contactpunt voor seksuele misbruiken binnen het kader van pastorale relaties – te vermelden. Bij gebrek aan iets anders. Bij gebrek aan interesse voor het echte probleem. Kritiekloos, alternatiefloos, zonder vragen over hoe het nu echt verder moet, zonder oog voor de “morgen” van de slachtoffers. Zo lang de kerk zelf, of de overheid als plaatsvervangende schaamte, er niet in slaagt te begrijpen wat slachtoffers willen, blijft het deksel op de ketel. En dat beseffen zowel de kerk als de staat in België maar al te goed. Onafhankelijkheid van het meldpunt, opheffing van verjaring, financiële compensatie waar nodig, ook als de daders gestorven zijn, nederigheid van de kerk en haar dienaars, schuldbekentenis en verzoek tot vergeving, begrip en respect voor de gevolgen waarmee de slachtoffers sinds jaren moeten leven, en nog eens nederigheid, als enig aanvaardbaar alternatief voor de arrogantie die – ook in België – vandaag nog altijd het gezicht is dat de kerk vertoont.
Met dank aan de mensen die me in vertrouwen namen, ik hoop hun vertrouwen niet geschonden te hebben. En mijn belofte staat: ik laat dit niet los.
A young monk arrives at the monastery. He is assigned to helping the other monks in copying the old canons and laws of the church by hand. He notices, however, that all of the monks are copying from copies, not from the original manuscript. So, the new monk goes to the abbot to question this, pointing out that if someone made even a small error in the first copy, it would never be picked up. In fact, that error would be continued in all of the subsequent copies. The abbot says: “We have been copying from the copies for centuries, but you make a good point, my son.” He goes down into the dark caves underneath the monastery where the original manuscripts are held as archives in a locked vault that hasn’t been opened for hundreds of years.
Hours go by and nobody sees the old abbot. So, the young monk gets worried and goes down to look for him. He sees him banging his head against the wall and wailing: “We missed the ´R´! We missed the ´R´!” His forehead is all bloody and bruised and he is crying uncontrollably.
The young monk asks the abbot: “What’s wrong, father?” With a choking voice, the old abbot replies: “The word was celibrate!”
In een poging verklaringen en zondebokken te vinden heeft de rooms-katholieke kerkzich maar weer eens overgegeven aan een ouderwets potje homo-bashing.
Het aanvoeren van eerdere verweren en theorieën bleek niet het verwachte positieve effect op te leveren. Diepgewortelde antisemitische neigingen die zich op onnavolgbare wijze nu opeens op de rooms-katholieke kerk bleken te richten, publiciteitsstunts van een overprikkelde mediageile maatschappij, een complot van zionisten die er, zoals men weet al sinds Christusheugenis geen been in zien om christenen ‘aan het kruis te nagelen’ en zelfs het ‘wir haben es nicht gewusst’-credo bleek niet het Vaticaangewenste effect te sorteren.Daarom werd vandaag maar besloten de gouwe ouwe afschrikkende werking van broederliefde weer eens van stal te halen. De homo’s hebben het gedaan: natuurlijk, zeker als je het document Persona Humana uit 1975 van de Congregatie voor de Geloofsleer erop naleest. Hierin staat in de paragraaf over homoseksualiteit:
“Dit oordeel van de Heilige Schrift laat echter niet toe te besluiten, dat al degenen die aan deze misvorming lijden daardoor in persoonlijke schuld staan; desalniettemin bewijst het, dat handelingen van homoseksualiteit naar hun intrinsieke aard ongeordend zijn en op geen enkele manier ooit kunnen worden goedgekeurd.”
Misvorming, afwijking, ziekte, het onstuitbare homoseksualiteitvirus waart over deze planeet en – ondanks de uit 2005 stammende richtlijn geen homoseksuelen toe te laten op priesteropleidingen – nu dus ook binnen de muren van de rk-kerk.
Vast geïnspireerd door de uitlatingen van de Amerikaanse ex-generaal John Sheehan, die de val van Srebrenica weet aan de aanwezigheid van homoseksuelen in de Nederlandse gelederen, wijst het Vaticaan nu wanhopig weer een nieuwe zondebok aan voor haar ontaarding.
Zolang zij de hand maar niet in eigen boezem hoeft te steken; het celibaat is blijkbaar nog steeds heilig en onaantastbaar.
Is dit een van de laatste stuiptrekkingen van een archaïsch instituut?
Sinds eergisteren zijn er in Nederland ca. 7000 nieuwe slachtoffers van misbruik binnen de katholieke kerk bijgekomen.
Slachtoffers die niet naar Hulp en Recht kunnen gaan.
Slachtoffers die zich niet kunnen melden bij Dhr. Deetman.
Slachtoffers die door de media vergeten worden.
Slachtoffers die nergens hun verhaal kwijt kunnen.
Het Vaticaan heeft altijd benadrukt datPaus benedictus XVI geen rol speelde in het tegenhouden van het bestraffen van schuldige priesters in de tijd dat hij hoofd was van de Congregatie voor de Geloofsleer.
Eergisteren echter publiceerde Associated Press een brief uit 1985 waaruit onomstotelijk blijkt dat hij geweigerd heeft een Amerikaanse priester die kinderen seksueel misbruikte uit zijn ambt te zetten. Hij was bezorgd over het effect dat het ontslag kon hebben op “het heil van de universele kerk.”
Het vermijden van een schandaal was belangrijker dan het beschermen van kinderen.
Eerst waren het nog de gezagsdragers van een lager echelon zoals bisschop van Luyn en kardinaal Simonis die logen over het misbruik binnen hun organisatie.
Nu echter staat vast dat de absolute leider van de katholieke kerk en de plaatsbekleder van Christus op aarde liegt.
Voor de 7000 religieuzen die Nederland nog telt, priesters, broeders, fraters en zusters die zich hun leven lang in dienst gesteld hebben van hun medemens, in de missie, als pastoraal werk(st)er of anderszins moet deze onthulling over hun kerkelijke leider als een ramp overkomen.
Ineens is het laatste restje houvast voor hen verdwenen.
Dat de katholieke kerk keihard aangepakt moet worden staat voor mij als een paal boven water.
En niet alleen de misbruikers moeten gestraft worden, ook degenen die het hebben laten gebeuren en voortduren moeten aan de schandpaal genageld worden. Ook al is hij nu paus.
Aan “de dictatuur van het Vaticaan” zoals Rik Devillé, de emeritus pastoor van het Belgische Buizingen, het noemt moet voor eens en voor altijd een einde gemaakt worden.
Ik heb sinds ik misbruikt ben helemaal niets meer met de katholieke kerk. Dat weet u.
Ik blijf er het liefst zo ver mogelijk vandaan.
Maar ik zie de religieuzen van Nederland dan ook niet meer als onderdelen van de katholieke kerk.
Voor mij zijn het slachtoffers die nergens naar toe kunnen en alleen hun geloof nog maar hebben om op terug te vallen.
Als iets rot blijkt te zijn, moet je die rotte plek eruit snijden.
“Na een aardbeving komen we meteen in actie. We helpen de slachtoffers en kijken daarna pas waarom de huizen zijn ingestort. Nu is er alleen maar aandacht voor de vraag waarom de huizen zijn ingestort.”
2e Paasdag was er een bijeenkomst in de Geertekerk te Utrecht. Twintig slachtoffers van seksueel misbruik door de katholieke kerk waaronder drie vrouwen vertelden daar hun verhaal. Een bewogen dag en voor mij een vol herkenning. In elk verhaal zaten wel elementen die ook op mezelf van toepassing waren.
Hoe moeilijk het is om met je verhaal naar buiten te komen, zelfs in een besloten bijeenkomst, bleek uit het feit dat een aantal aanwezigen het uiteindelijk toch niet aandurfde.
Dat was echter geen verrassing voor me; van de 146 bij mij bekende slachtoffers die ik per email uitgenodigd had om naar Utrecht te komen om daar hun verhaal te doen hadden maar 2 mensen de stap gewaagd.
Na afloop waren twee dingen duidelijk:
1.Er moet een veilige plek voor de slachtoffers komen
2.We zullen daar zelf onze schouders onder moeten zetten
Bij Hulp & Recht voelt men zich niet veilig en terecht als ik de verhalen hoor.
Van Deetman hoeven we niets te verwachten. Zijn (voor)onderzoek is vooral historisch en niet gericht op hulp aan slachtoffers.
Om die veilige plek te realiseren komen begin mei een aantal ervaringsdeskundigen - laat ik onze groep die zich 2e Paasdag geformeerd heeft zo maar noemen, dat klinkt heel wat beter dan slachtoffers – in Nijmegen bijeen om daar een opzet te maken voor een ONAFHANKELIJK STEUNPUNT voor slachtoffers.
Een veilige plek waar slachtoffers zich kunnen melden.
Een veilige plek waar slachtoffers met hun verhaal heen kunnen.
Een veilige plek waar slachtoffers de weg gewezen wordt in de mogelijkheden van eventuele psychische opvang en juridische bijstand.
Een veilige plek waar ook de partners van slachtoffers - een groep die tot nu toe “vergeten” wordt - terecht kunnen.
Onze opzet voor dit ONAFHANKELIJKE STEUNPUNT zullen we daarna aan de 2e Kamer doorgeven zodat zij het bij de regering kunnen neerleggen.
Want dáár hoort het.
Het is de politiek die toegestaan heeft dat er een (kerkelijke) staat binnen de staat heeft mogen bestaan.
Het is de politiek die de katholieke kerk daarmee een vrijbrief heeft gegeven om het misbruik te verdoezelen met het gevolg dat het decennia lang gewoon door kon gaan.
Om de 2e kamer te laten zien dat onze oproep voor dit onafhankelijk steunpunt de wens is van veel mensen roep ik hierbij iedereen die het daarmee eens is op de tekst
Ik vind dat de regering ervoor moet zorgen dat er een onafhankelijk steunpunt komt voor slachtoffers en hun omgeving van seksueel misbruik door de katholieke kerk
“Ik, verbalisant Janssen, zag dat de demonstranten veelal goed herkenbaar waren als demonstrant. De demonstranten betroffen veelal ‘krakers’, die donkere (veelal zwart/donkergroen/donker gekleurde) kledingstukken droegen. Deze waren veelal voorzien van anarchistentekens. Ook hadden veel demonstranten (half) lang onverzorgd (geverfd) haar en gezichtspiercings.”
Deze zin uit het proces-verbaal van C. Janssen, hoofdinspecteur van politie, werkzaam bij Politie Haaglanden bleef maar door mijn hoofd spoken toen ik woensdag in het Gerechtshof te Den Haag naar de 9 beklaagden luisterde die in een halve cirkel voor de rechter en de officier van justitie zaten. Ze waren tezamen met 96 anderen op 15 oktober 2009 aangehouden omdat ze geen gehoor zouden hebben gegeven aan de vordering zich te verwijderen na de demonstratie tegen het initatiefwetsvoorstel Kraak en Leegstandswet waarover in de Tweede Kamer gestemd zou gaan worden.
Even de feiten op een rijtje: de demonstratie begon om 13.00 uur en was niet aangemeld maar wel gefaciliteerd door de burgemeester van Den Haag.
Er waren ongeveer 360 demonstranten volgens de politie, 300 op het plein en 60 op de publieke tribune van de Tweede Kamer.
Hoewel de demonstratie, op enkele kleine incidenten na die meteen veelal door de demonstranten zelf in de kiem werden gesmoord, zonder enig probleem verliep besloot de burgemeester deze om 20.00 uur te ontbinden. Door middel van oproepen per megafoon werd onder luid boegeroep en gefluit iedereen gesommeerd te vertrekken. Daarnaast werden er circa 25 flyers uitgedeeld waarop stond dat gevorderd werd het plein te verlaten. Slechts circa 25, omdat een aantal demonstranten er propjes van maakten en die naar de paarden van de politie gooiden; ondanks de zware trainingen die deze strijdrossen ondergaan, om ze bestendig te maken tegen rookbommen, brandende en/of rondvliegende projectielen en mitrailleurvuur, blijken volgens het proces-verbaal van de politie propjes papier nu net datgene te zijn waar de paarden niet tegen kunnen.
Om 21.40 uur werden de toen nog overgebleven demonstranten gevorderd het plein te verlaten met de mededeling dat men anders zou worden aangehouden, waarna om 22.20 uur de eerste arrestaties werden verricht op het Plein en om 22.40 uur in de Lange Houtstraat. Arrestanten werden in reeds klaarstaande bussen geladen en moesten de nacht in de cel doorbrengen.
De 9 beklaagden, 2 meisjes en 6 jongens van rond de twintig en een wat oudere man, blijken uit het gehele land te komen. Op de oudere man na werken en/of studeren ze allemaal. Naast een timmerman zit een psychologiestudente, een ICT-specialist wordt geflankeerd door een meisje dat in de thuiszorg werkt en een muziekstudent die lesgeeft op basisscholen, op de hoek zit een beeldend kunstenaar, kortom op het eerste gezicht een doorsnede van onze jeugd.
Op het eerste gezicht.
Het is opvallend dat ze allemaal goed uit hun woorden komen: dit zijn geen domme jongelui, ze weten waar ze het over hebben. Daarnaast merk ik dat – ondanks het feit dat velen elkaar amper kennen – er een grote saamhorigheid onder hen is. Men steunt elkaar en indien mogelijk elkaars verklaring.
Deze mensen hebben besloten de dreiging van een hogere straf te riskeren en niet in te gaan op een eerder voorgestelde financiële schikking. Ze hebben om hun idealen tijdens deze rechtszaak te verdedigen hun studie en werk een dag onderbroken en hun veelal bescheiden geldmiddelen aangewend voor reiskosten met als doel hun stem te laten horen in de zaak waarvoor ze staan: de vrijheid van demonstratie. Een van de basisvrijheden van de mens.
En die zaak verdedigen ze - een aantal met de hulp van een advocaat, een paar zelf - met verve.
Aan de gezichtsuitdrukking en even later ook uit de woorden van de aanvankelijk zeer formele rechter is duidelijk op te maken dat hij verrast is door wat er zich voor zijn neus afspeelt. Blijkbaar had hij, net als veel anderen dat zouden hebben na het lezen van het pv van Janssen, tevoren iets heel anders verwacht.
Dat “vooroordeel” zou ook wel eens op 15 oktober 2009 een rol hebben kunnen spelen.
De overmatig aanwezige hoeveelheid M.E. bij de demonstratie, hoewel in het begin in zogenaamd vredestenue - voor de duidelijkheid, daarmee bedoelt de politie een donkerblauw pak, petje, hoge leren laarzen en volledige bewapening (korte wapenstok, pepperspray, vuurwapen) -, het zonder enige aanwijsbare reden beëindigen van de demonstratie door de burgemeester - hetgeen tegen de wet is, hij heeft dat recht alleen als er een gevaarlijke situatie is ontstaan - het insluiten van demonstranten die de demonstratie wilden verlaten zodat ze geen gevolg meer konden geven aan de vordering zich te verwijderen, het aanhouden van demonstranten die zich niet meer op het plein bevonden en het overmatige geweld dat bij sommige arrestaties is gebruikt - foto’s van letsel werden op de zitting getoond - doen dat vermoeden, zeker als je daarnaast de toonzettingen leest in de pv’s van de politie. Die van hoofdinspecteur Janssen voorop.
Daarnaast meen ik uit de woorden van de Officier van Justitie op te mogen maken dat hij het liefst alle 360 demonstranten had gearresteerd maar dat dit voor de politie een te grote belasting zou zijn en ze daarom gewacht hebben tot er nog een honderdtal over waren, een aantal dat ze wel konden behappen. (tip voor toekomstige demonstranten: zorg dat je altijd met minimaal 150 man overblijft).
De enige reden die ik voor dit soort (overheids)gedrag kan verzinnen is angst.
Angst voor mensen die er anders uitzien, angst voor mensen die het niet eens zijn met hoe onze maatschappij is ingericht, angst voor mensen die hun nek durven uitsteken voor verandering.
Ik had gisteren graag tussen die negen op het beklaagdenbankje gezeten. Dan had ik trots op mezelf kunnen zijn, trots om bij een groep mensen te horen die nog idealen hebben in deze maatschappij, trots op mensen voor wie een eerlijkere verdeling van de welvaart belangrijker is dan hun eigen ikje.
Na afloop van het snelrecht dat bijna drie uur duurde heb ik met een aantal van de in totaal 105 beklaagden staan praten.
Het bleken niet allemaal krakers te zijn, een gedeelte van de beklaagden was sympathisant, sommige (zelfs?) in het bezit van een eigen huis.
Waarover men het had na de zitting?
Over de boete die straks eventueel betaald moest worden en de mensen voor wie dit een te groot financieel probleem zou zijn.
Over hoe ze die mensen daarbij zouden kunnen helpen door voor hen een benefietconcert te organiseren.
Afgelopen woensdag was voor mij een dag vol verrassingen.
Ook ik had - laat ik daar heel open en eerlijk over zijn - iets heel anders verwacht.
Want ook ik zit net als zoveel anderen vol vooroordelen.
Deze jongelui vol idealen zo bezig te zien was een warm bad.
Jammer dat de media niet aanwezig waren.
Dan was ik niet een van de weinigen geweest die afgelopen woensdag weer wat meer hoop voor de toekomst heeft gekregen.
Na het dichtslaan van mijn eigen misbruikboek was het, tot verdriet van een aantal medeslachtoffers, mijn serieuze bedoeling geen misbruikblog meer te schrijven,.
De beschamende vertoning van kardinaal Simonis bij Pauw en Witteman – als ik eraan terugdenk voel ik mijn woede weer opkomen - dwingt me echter op dit besluit terug te komen.
Niet als slachtoffer, want als zodanig zie ik mezelf sinds afgelopen week niet meer, maar als “ervaringsdeskundige”.
Was het toeval dat Simonis ‘Wir haben es nicht gewusst’ zei, een term die je tegenwoordig alleen maar gebruikt voor iets wat je heus wel weet maar niet wil weten?
Of was het een kardinale slip of the tongue?
Daarvoor moeten we een aantal uitspraken van Simonis onder de loep nemen, denk ik.
Simonis kan zich uit de periode dat hij bisschop was (38 jaar) nog ongeveer 10 gevallen van misbruik herinneren. Of minder dan tien, het precieze aantal weet hij blijkbaar niet meer en kan hij ook nergens meer opzoeken. Maar hij weet nog wel dat hij er zeer zorgvuldig mee is omgegaan.
Ik vind dat aantal van tien moeilijk te geloven. Als het één keer in de 4 jaar voorkomt ga je echt niet in 1995 een meldpunt Hulp & Recht oprichten.
Ook de cijfers spreken het tegen. Tot het opengaan van de doofpot ruim een maand geleden waren er bij Hulp & Recht 276 meldingen binnengekomen, ofwel 20 per jaar. Dat zijn heel wat andere getallen dan minder dan of hooguit 10 stuks in 38 jaar.
Een duidelijk geval van ‘Wir haben es nicht gewusst’.
Je verschuilen achter het feit dat je voor wat er bij ordes en congregaties in die periode is gebeurd niet bij de bisschoppen moet zijn maar bij de provinciale overste van de betreffende orde of congregatie wekt bij mij de indruk dat Simonis hiermee zijn eigen vuil op de stoep van een ander wil vegen. Daarnaast geloof ik er geen barst van, natuurlijk had een (aarts)bisschop vroeger ook overleg met congregaties en ordes. Waarschijnlijk zal hij gedacht hebben: er zijn toch bijna geen religieuzen in Nederland meer over dus als we als bisschoppen de schuld bij die kleine gesloten gemeenschappen met hun ‘te enge sfeer’ leggen, komen we er misschien nog genadig van af.
Het misbruik in Ierland en Nederland niet met elkaar mag vergelijken, volgens Simonis. In Ierland is het veel meer toegedekt.
Ik vraag me af waar hij deze uitspraak op baseert. Bij Hulp & Recht zijn sinds de doofpot open is gegaan 1100 meldingen binnengekomen. Hoeveel het er zouden zijn als Hulp & recht een onafhankelijk meldpunt zou zijn en niet van de katholieke kerk zelf, daarnaar kan men alleen maar gissen. Wel weet ik dat ík me niet heb gemeld en dat het merendeel van de slachtoffers die mij een mail hebben gestuurd dat ook niet hebben gedaan. Blijkbaar is het tot Simonis nog niet doorgedrongen dat de meeste slachtoffers door hun misbruik zo’n aversie en/of wantrouwen tegen de katholieke kerk hebben ontwikkeld dat ze zich nooit bij een aan diezelfde kerk gelieerde stichting zullen melden. Dat is ook de reden waarom er door een aantal misbruikte mannen opgeroepen wordt het onderzoek van Deetman te boycotten.
Misschien weer een geval van ‘Wir haben es nicht gewusst’ kardinaal Simonis?
Wat echter helemaal verbijsterend was om te horen uit de mond van diegene die door de meeste mensen toch als hoogste autoriteit van de katholieke kerk in Nederland wordt beschouwd, was dat hij misbruik ‘ingelicht in het geheim van het leven’ beschouwde, het als een soort ‘voorlichten’ zag en het vertellen aan je ouders ‘een beetje beschamend’ noemde.
Inderdaad kardinaal (priester) Simonis, er moet vroeger iets grondig mis zijn gegaan bij de selectie van priesters.
Aan het feit dat het celibaat niets met het leven van Christus te maken heeft maar dat het vroeger enkel en alleen is ingesteld om ervoor te zorgen dat de katholieke kerk niet door overerving zijn rijkdom kwijt kon raken, ga ik nu maar even voorbij. Al is het wel (weer?) een leugen van Simonis want hij kent de reden van het instellen van het celibaat natuurlijk drommels goed.
‘Wir haben es nicht gewusst’ heeft er voor mij gisteren een betekenis bij gekregen.
(20 maart 2010: Na de overhandiging van het eerste exemplaar van Pater Noster aan Khadija Arib vroeg zij aan mijn vriendin Renata of ik er hiermee echt een punt achter kon zetten. Renata hoopte van wel. Met onderstaande open brief ging ik echter een dag later al ‘in de fout’. Ook nu weer, na de in mijn ogen schandelijke brief van de paus jeuken mijn vingers. Hoe durft iemand die als prefect van de Congregatie van de geloofsleer in 2001 een brief rondstuurt waarin hij precies vertelt hoe misbruik in de doofpot gestopt moet worden, nu ineens zijn onderdanen de schuld te geven? Dit is de omgekeerde wereld. Paus Benedictus XVI (Joseph Ratzinger) is één van de hoofdschuldigen in dit misbruikdrama. Doordat hij de bisschoppen, geestelijken en gelovingen op straffe van excommunicatie verbood over misbruik naar buiten te treden heeft hij ervoor gezorgd dat het misbruik nog negen jaar door kon gaan en veel schuldigen zich nu kunnen beroepen op verjaring)
Geachte heer Deetman,
“U moet mij niet hebben,” was uw eerste reactie toen de bisschoppen en de KNR u vroegen een voorstel te doen voor onderzoek naar het seksueel misbruik van minderjarigen door RK geestelijken.
Ik onderschreef die mening toen ook maar nu u heeft laten weten dat alleen al het samenstellen van een onderzoekscommissie zes tot acht weken gaat duren, ben ik het nog veel meer met u eens.
Je kunt de vele honderden slachtoffers van deze misbruikaardbeving geen zes tot acht weken aan hun lot overlaten.
Er moet meteen actie ondernomen worden.
Nederland barst van de hulpverleners, ook op het gebied van misbruik.
Wat er nu onmiddellijk moet komen is een onafhankelijk Steunpunt voor Misbruik.
Een plaats waar slachtoffers die dat willen met hun verhaal heen kunnen.
Een plaats waar slachtoffers die dat willen psychische hulp kunnen krijgen.
Een plaats waar slachtoffers die dat willen de eerste juridische bijstand kunnen krijgen.
Een plaats waar slachtoffers die dat willen de confrontatie aan kunnen gaan met hun misbruiker.
Een plaats waar slachtoffers zich veilig voelen.
Om slachtoffers die nog niet “uit de kast” zijn durven komen te helpen dat wel te doen kan het Steunpunt elke week een lijst publiceren met internaten waarvan meldingen zijn binnengekomen.
Het weten dat je niet de enige bent geweest op jouw school kan je helpen die stap te nemen.
Een onderzoek “met historisch karakter” zoals u dat noemt kan later.
Er zijn straks universiteiten en aanstaande promovendi genoeg die dat graag zullen willen doen.
Die kunnen dan ook meteen onderzoeken hoe het mogelijk is geweest dat de Nederlandse regering heeft toegestaan dat er binnen de staat een organisatie bestond die zijn eigen wetten en eigen rechtspraak kon uitoefenen en seksuele misbruikmisdadigers aan vervolging door Justitie kon onttrekken.
Ik wil u hierbij vragen de opdracht terug te geven aan de bisschoppen en de KNR zodat de weg vrij is voor de Tweede Kamer om op korte termijn zo’n Steunpunt voor Misbruik in het leven te roepen en er hulp geboden kan worden aan de slachtoffers.
Ruim vier jaar geleden vroeg een heel goede vriendin en collega-schrijfster mij of er een reden was waarom mijn jeugdromans bijna allemaal over eenzame kinderen gingen. Ik vertelde haar over mijn jeugd op het internaat en het kleinseminarie op de manier zoals ik wel meer mensen, zoals mijn kinderen, daarover verteld had.
Een nieuwsgierige schrijfster eigen bleef ze echter doorvragen.
Bij welke vraag het precies was, kan ik me niet meer herinneren maar ineens was het alsof er op een geheime knop werd gedrukt, een knop die vanaf mijn jeugd verstopt had gelegen. Er ging een sluis open en alle, meer dan veertig jaar lang weggestopte traumatische herinneringen kwamen als uit het niets weer boven.
Het werd een nacht met veel tranen en ook de dagen erop liet het verleden me niet meer los.
In een poging het te verwerken besloot ik het op te schrijven, ik was per slot van rekening schrijver. Ik sloot me op in mijn werkkamer in Spanje en begon de meest traumatische periode van mijn leven in dagboekvorm op te tekenen. Technisch bleek dat niet moeilijk, ik wist alles nog, elk afschuwelijk detail.
Psychisch was het een ander verhaal, de pijn was helemaal terug en beheerste weer, net als veertig jaar geleden, heel mijn dagelijkse bestaan.
Toen ik klaar was met mijn dagboek wist ik dat ik het hierbij niet kon laten. Wilde ik verder met mijn leven dan moest ik er een verhaal van maken, een verhaal over iets dat niet mij was overkomen maar een ander. Fictie vermengen met non-fictie. Ik moest weer schrijver worden.
Het werden Anne, een jongetje dat gepest werd om zijn naam en uiterlijk, broeder Amandus (Latijn: om lief te hebben) en pater Deeds (anagram voor de pederast).
Het boek noemde ik Pater Noster, Onze Vader. Want dat waren de paters en broeders aan wie kinderen vroeger toevertrouwd waren: Onze Vaders. Het er een verhaal van maken bleek te helpen, de pijn verdween en ik had het gevoel dat ik het helemaal verwerkt had.
Nu moest het nog een boek worden. En dat bleek moeilijker. Hoewel elke uitgever die ik Pater Noster liet lezen het een goed geschreven verhaal vond, had niemand interesse om het uit te geven.‘In Nederland gebeuren dit soort dingen niet,’ was het meest gehoorde commentaar, ‘dus zal men het boek ook niet willen kopen.’
Eén uitgever raadde mij aan er een mantelverhaal omheen te schrijven en het geheel naar het heden te tillen.
Een gebeurtenis in Honduras waarbij een bisschop weigerde aan Interpol de verblijfplaats bekend te maken van een priester die in de VS kinderen misbruikt had en door de Kerk daarheen was overgeplaatst, en het feit dat in datzelfde bij pedofielen geliefde Honduras geregeld misbruikte kinderen vermoord op de vuilnisbelt gevonden worden brachten me op het idee om De Kindervriend te schrijven.
In deze thriller beschrijf ik wat de gevolgen kunnen zijn als je als R.K. Kerk geestelijken die zich aan dit soort misdaden schuldig maken de hand boven het hoofd houdt. Naast een spannend verhaal was het ook bedoeld als aanklacht tegen de Kerk.
Het boek kwam vorig jaar juni bij Karakter Uitgevers uit.
In de krant-interviews die daarop volgden besloot ik geen blad voor de mond te nemen en vertelde ik openlijk over het misbruik dat ikzelf meer dan 40 jaar geleden had meegemaakt.
Vanaf dat moment begonnen de mailtjes binnen te stromen. In sommige werd ik enkel bedankt voor het boek of mijn openhartigheid, vaak met de mededeling dat ze zelf ook misbruikt waren, in andere werd tot in detail met naam en toenaam verteld wat de schrijver of schrijfster zelf overkomen was. Ze kwamen uit het hele land en zelfs zat er een bij van een klasgenoot van het kleinseminarie. Met een aantal van deze mail-schrijvers heb ik tot op de dag van vandaag contact.
Toen de onthullingen over misbruik binnen de Kerk van Ierland naar Duitsland overwaaiden wist ik dat het een kwestie van tijd was voor Nederland aan de beurt kwam. En daar had ik gelijk in.
In eerste instantie wilde ik me afzijdig houden, maar de mensen om mij heen overtuigden me dat het goed zou zijn als ik met mijn verhaal naar buiten kwam. ‘Je hebt het al verteld in de kranten, dus waarom zou je het niet doen. Al heeft er maar één ander slachtoffer baat bij, dan is het al de moeite waard.’
Zo ontstond het contact met RTL-nieuws. Mijn twijfel bleef, het boek van die periode uit mijn leven was dicht en ik was bang dat het weer open zou gaan. Dus heb ik het gedaan, hoewel ik tot op het laatste moment, het camerateam was al op weg naar Spanje, heb geaarzeld. Mijn angst bleek terecht, tijdens het interview kwam de herinnering en de pijn als een mokerslag op me neer. Het was alsof ik weer verkracht werd.
Slapeloze nachten, geen zin in eten meer, vaak als een onaanspreekbare zombie door het huis dwalend, na het interview beheersten de gebeurtenissen van vroeger heel mijn leven, net zoals het waarschijnlijk nu het nieuws er dagelijks bol van staat het leven van veel lotgenoten beheerst.
Toen mijn uitgever besloot Pater Noster uit te geven, veranderde dat. Ineens werd mijn verleden weer beetje bij beetje een verhaal en kon ik me daarop concentreren.
Komende woensdag - om 16.00 uur in de Hortus Botanicus van Amsterdam, u bent allemaal meer dan van harte welkom - wordt het eerste exemplaar overhandigd aan mevr. Khadija Arib, Tweede Kamerlid voor de Partij van de Arbeid.
Ik heb haar en niet Deetman gevraagd omdat zij niet confessioneel gekleurd is en in juni vorig jaar naar aanleiding van een uitzending van Zembla als enige in de Tweede kamer aan minister Hirsch Balin van Justitie vragen stelde over misbruik binnen de RK Kerk.
Ik hoop dat Pater Noster de lezer een beeld geeft van het leven in een katholiek internaat van vroeger en hem laat zien hoe het mogelijk was dat kindermisbruik daar binnensloop.
Ook hoop ik dat er slachtoffers zijn die door Pater Noster genoeg moed krijgen om eindelijk met hun verhaal naar buiten te komen en daarmee die ellendige periode in hun leven voor eens en voor altijd kunnen gaan afsluiten.
Voor mijzelf hoop ik dat ik na donderdag het boek dat twee weken geleden zo plots met veel pijn weer openging definitief weer dicht zal gaan.
En laten we met zijn allen hopen dat de RK Kerk die op veel plaatsen over de gehele wereld nog steeds kinderen onder haar hoede heeft, haar les geleerd heeft en zorgt dat dit nooit, maar dan ook nooit meer kan gebeuren.
“Aan hen die slachtoffer werden van misbruik binnen de katholieke internaten bieden religieuzen en bisschoppen hun diep gevoelde medeleven en excuses aan….. De bisschoppenconferentie en KNR (Konferentie Nederlandse Religieuzen) geven de voorkeur aan breed, extern en onafhankelijk onderzoek.”
Heel wat zou je zo op het eerste gezicht zeggen. Excuses en ook nog een onafhankelijk onderzoek.
Maar is dat wel zo.
Excuses maken is toch wel het minste wat je mag verwachten.
En of een door de Kerk aangestuurd onderzoek geleid door drs. W.J. Deetman (CDA) ook werkelijk onafhankelijk kan zijn is maar de vraag. In feite is het weer de bekende eigenvleeskeurende slager.
Waarom niet bijvoorbeeld een niet aan religie gelieerd persoon gekozen, zoals Tweede Kamerlid Khadija Arib. Zij heeft verstand van zaken: zij was het die op 25 juni 2009 naar aanleiding van een uitzending van Zembla over seksueel misbruik van kinderen binnen de Kerk aan minister Hirsch Ballin van Justitie vragen stelde.
Maar wie weet wat de persconferentie van morgen voor ons in petto heeft.
Daarnaast kan je je afvragen wát men zou moeten onderzoeken.
Daarnaast wist de Kerk in Nederland het natuurlijk al lang. Al in 1967 werd er op Don Rua een pater weggestuurd door de toenmalige overste (wiens secretaris een zekere van Luyn was, ja, inderdaad dezelfde…)
Op welke internaten het zich heeft afgespeeld?
Op welke niet zou je je bijna afvragen. Maar Hulp & Recht heeft vast een lijst en zal die wellicht nu eindelijk openbaar moeten maken. (Ik schrijf ‘eindelijk’ omdat ze dat tot nu toe in alle toonaarden weigeren. Een misbruikslachtoffer schreef me dat ze van Hulp & Recht wilde weten of de kapelaan die haar misbruikt had nog leefde. Het antwoord was dat men daar vanwege de privacy niet op kon antwoorden)
Daarnaast zijn er in de media de afgelopen dagen ook een aantal genoemd en wil ik, als ik er een onderzoekscommissie een plezier mee kan doen, hierbij best nog een aantal namen van instellingen geven die via mijn mailbox zijn binnengekomen:
Kindertehuis Abshove Munstergeleen
Saint Louis Oudenbosch
Saint Louis Amersfoort
Canisiuscollege Nijmegen
Sainte Marie te Huijbergen
Wie de misbruikers waren?
Als de misbruiker nu nog in leven is, is dat zeker zinvol. Niet om hem (of haar) te straffen maar om ervoor te zorgen dat hij (of zij) het niet meer kan doen. Voor diegenen die reeds overleden zijn hoeft niemand meer bang te zijn. Dus wat heeft dat bij hen voor zin?
Of er letselschade of smartengeld betaald moet gaan worden?
Er is vandaag al een groep uit Limburg opgestaan die stelt: “De broeders hebben ons uitgekleed. Nu gaan wij de Kerk uitkleden. We gaan proberen zoveel mogelijk geld bij de Kerk weg te halen. Dat miljoen van Aegon is zeker niet genoeg.”
Er zijn ongetwijfeld slachtoffers die baat bij smartengeld hebben omdat hun hele leven verwoest is. Ik kan me ook voorstellen dat je na de uitlatingen van bisschop Gerard de Korte in de uitzending van Nova van 9 maart (http://www.allesgemist.nl/video/Nova/Den+Haag+vandaag/134813) dit soort initiatieven ontplooit.
De groep heeft mij gisteren gevraagd me bij hen aan te sluiten. Dat heb ik niet gedaan en zal ik ook niet doen. Het gaat mij niet om compensatie in de vorm van geld, het moet gewoon nooit meer kunnen gebeuren. Maar dat had u al in
Ik ben bang dat men vergeet dat zo’n juridische procedure soms jaren duurt. Jaren waarin je dag in dag uit met je verleden wordt geconfronteerd, jaren die je nooit meer terugkrijgt.
Mocht de Kerk zich echter geroepen voelen mij zonder die lijdensweg smartengeld te betalen dan vind ik dat prima. Ik weet nog wel een (niet-katholiek) weeshuis in Belarus (www.weeshuizenbelarus.nl) dat dit goed kan gebruiken.
Moeten we het onderzoek onder leiding van Deetman dus maar boycotten? Of moeten we eerst kijken waar hij mee op de proppen komt?
Ik heb er weinig vertrouwen in, dat zal duidelijk zijn.
Dat kan ook niet anders als ik lees wat pater Frederico Lombardi, de directeur van het Vaticaans persbureau in zijn officiële reactie van 9 maart zegt over het schandaal in Duitsland, Oostenrijk en Nederland.
Als je durft te schrijven dat “alle objectieve en goed geïnformeerde mensen weten dat de kwestie veel breder is en dat het concentreren van beschuldigingen tegen de Kerk alleen een vals beeld geeft” (in Oostenrijk zijn er in een periode waarin er 17 gevallen van de Kerk bewezen zijn 510 andere gevallen) dan hebben we nog een hele lange weg te gaan.
D.S. schreef me op 7 maart: “Hetgeen vroeger gebeurd is loopt dagelijks als een schaduw naast me.”
Misschien moet ik alle reacties die ik gekregen hebben maar eens in het Italiaans laten vertalen en naar Rome sturen.
Hoewel, ik geloof niet dat het veel zal helpen.
Volgende week komt, als ze het aandurven, want het is niet niks om nog een keer met de billen bloot te moeten na 45 jaar, België aan de beurt.
Dan weet u dat alvast.
Laten we hopen dat de bal daarna met een rotgang naar het zuiden door rolt.
Misschien dat mijn verblijf op het Arthur Findley College (school voor mediums) verleden jaar toch nog onverwachte vruchten heeft afgeworpen. Toen een maand geleden in Duitsland bekend werd dat daar kinderen door geestelijken waren misbruikt, voorspelde ik dat Nederland niet lang op zich zou laten wachten.
Het begon afgelopen week met de Salesianen, toevallig de orde die mij het idee gaf De Kindervriend in Honduras te laten afspelen. (Een paar jaar geleden weigerde de Katholieke Kerk aldaar Interpol te helpen zoeken naar een priester die kinderen in zeer ernstige mate seksueel had misbruikt. Uit een onderzoek van een Amerikaanse krant bleek dat de Salesianen, net als overigens bisdommen en andere ordes, er een gewoonte van maakten priesters die van seksueel misbruik werden beschuldigd bescherming te bieden door ze o.a. naar Honduras te zenden, buiten het bereik van justitie. Maar dit even terzijde).
Overal stromen op dit moment meldingen binnen, vooral bij de media. Radio Nederland Wereldomroep en de NRC hebben er zelfs ieder een apart emailadres voor aangemaakt: misbruik@rnw.nl en misbruik@nrc.nl
Er bestaat Hulp & Recht, een instelling van de Katholieke Kerk waar men zich kan melden als men misbruikt is. Toch blijken weinigen dat te doen, het aantal meldingen dat ze de afgelopen dagen binnen zeggen te hebben gekregen valt in het niet bij dat wat er bij de media is binnengekomen of bijvoorbeeld het aantal mails dat ik het afgelopen jaar heb ontvangen. Te begrijpen, een slager die zijn eigen vlees keurt, wie koopt daar wat? Niemand toch, en zeker niet na de woorden vanhet hoofd van de Salesianen in Nederland, pater Herman Spronck. Volgens hem moet er eerst een definitie komen van onderzoekers over wat misbruik is omdat daar nu verwarring over is. Tja, wat kan nog door de beugel? Tussen je billen controleren of je daar schoon genoeg bent (blz. 46 De Kindervriend)? Voordoen hoe je je piemel schoonmaakt (blz. 165 De Kindervriend)? Of een kind zijn billen masseren en dan zeggen dat hij op zijn knieën moet gaan zitten (blz. 177 De Kindervriend)?
Wat vindt u zelf pater Spronck?
Nee, Hulp en Recht is misschien goed voor (nog steeds?) gelovigen, maar voor de meeste slachtoffers waarschijnlijk niet de plek waar ze naartoe zullen gaan.
De politiek bemoeit zich er ook mee, er moet een landelijk onderzoek komen schreeuwen een aantal partijen. Even je gezicht nog een keer laten zien vlak voor de Gemeenteraadsverkiezingen is natuurlijk nooit slecht.
Maar een landelijk onderzoek is natuurlijk onzin. Ziet u misbruikten die zich doodschamen voor wat hen is gebeurd en het al tientallen jaren voor iedereen om hen heen verzwijgen zich in rotten van tien melden bij de politiek? Nou, ik niet, dan kan je beter meteen met naam en toenaam in de krant gaan staan. Dus hoe willen ze dat onderzoek dan in hemelsnaam doen? En stel dat het ze lukt, wat dan?
Weet men eigenlijk wel wat slachtoffers willen?
Geld, zoals de vandaag als aasgieren aangesnelde letselschadeadvocaten graag zouden willen? “Meld u zich bij mij, het is juridisch wel verjaard, maar u kunt er toch geld voor krijgen.” Misschien is er inderdaad een enkeling die het om geld zal gaan, maar veel zullen er niet zijn.
Een “sorry” van de Kerk? Ik denk dat degenen die niets meer met de Kerk te maken willen hebben daar ook niet op zitten te wachten. En dat zijn de meesten, verwacht ik.
(H)Erkenning? Dat zou het wel eens kunnen zijn. Weten dat je niet de enige was, weten dat je je er niet voor hoeft te schamen, misschien een opening om er eindelijk eens met je partner over te praten.
Ikzelf hoef geen geld, geen “sorry” en geen (h)erkenning.
Wat ik wil is dat door het opengaan van deze beerput de katholieke kerk zo onder druk komt te staan dat ze het misbruiken van kinderen die aan hen zijn toevertrouwd eindelijk een halt zullen toeroepen.
Want vergist u zich niet, wat in de vijftiger, zestiger en zeventiger jaren in (toen nog echt bestaand) katholiek Nederland gebeurde, kan zich op dit moment nog steeds in katholieke landen van o.a. Midden-Amerika afspelen. Daar heeft de Kerk nog zoveel macht dat je wel ontzettend dapper moet zijn als je iemand van seksueel misbruik durft te beschuldigen.
Het verleden is geweest, als we dat willen kunnen we het optekenen door bijvoorbeeld een onafhankelijk centraal meldpunt in te stellen, een soort misbruik-ombudsman, maar laten weniet in het verleden blijven hangen.
Het gaat om de toekomst, de toekomst van kinderen die nu op internaten zitten. Over de hele wereld.
Afgelopen nacht heb ik niet kunnen slapen. Morgen komt RTL-nieuws hier naar Spanje en ik heb alles van meer dan veertig jaar geleden weer opnieuw beleefd. Zoals zovelen denk ik de afgelopen dagen.
Laten we zorgen dat dit soort slapeloze nachten anderen, nu nog kind,bespaard blijft.
Opgetogen ging ik twee weken geleden terug naar Spanje om de laatste hand te leggen aan mijn nieuwe roman; het hele verhaal was klaar, uitgeprint en handzaam in een ordner opgeborgen, mijn pocketcriticus Renata was al ruim een week bezig met het nakijken en het plaatsen van opmerkingen, en mijn gedachten dreven al een beetje af naar het volgende boek…
De Spaanse tamtam had ons druppelsgewijs al in het door winterweer geteisterde Nederland bereikt, dus waren we enigszins voorbereid dat onze tocht naar huis niet geheel over rozen zou gaan. Maar wat we onder aan de berg aantroffen deed mij drie keer slikken: de enorme regenbuien die de weken voor onze komst omlaag waren gestort, hadden zulke grote modderstromen veroorzaakt dat rijden over de gemeentelijke betonweg alleen met ware doodsverachting en jarenlange chauffeurservaring kon plaatsvinden.
Nochtans kon het laatste niet voorkomen dat bij mijn bijrijdster de maaginhoud op oneigenlijke wijze haar lichaam dreigde te verlaten, ze haar vingers in het dashboard en het portier klauwde in een poging te voorkomen door de auto gekatapulteerd te worden en haar tanden een klapperend geluid voortbrachten bij iedere hobbel en diepe geul die overwonnen werd. Haar gelaatskleur had ook een eigenaardig soort groen aangenomen.
Een nog grotere schrik wachtte echter, toen de betonweg overging in het onverharde “privado” weggetje dat naar mijn huis behoort te leiden en ik letterlijk het padje kwijt bleek te zijn: de weg was weg!
Het eens lieflijke laantje door de campo was veranderd in een aaneenschakeling van modderbaden en gaten groot genoeg om er een 4 x 4 in te laten verzwelgen. Dus werd het lopen - de barro (Spaanse modder, een stuk vetter dan onze ouwe, blauwe zeeklei) vormde klompjes rond onze voeten en zoog ons enkeldiep in zijn plakkerig spul - met koffers en proviand over een afstand van 800 meter. Niet veel zult u zeggen en daarover zou ik het met u eens zijn als het alleen maar bergaf was en er geen marathon aan copieuze feestmaaltijden tijdens het verblijf in Nederland aan vooraf was gegaan. Zwoegend, met een overdaad aan nieuwe boeken (lang leve de Slegte), de Wii-fit gameconsole als tegenhanger voor de geleden schranspartijen (800 m met het apparaat en accessoires sjouwen: hoeveel calorieverbruik zou dat opleveren?) en als tegenwicht natuurlijk voldoende – hier niet verkrijgbare – etenswaar, slaagden we erin de tocht in drie rondes te volbrengen. De groene gelaatskleur van mijn metgezellin was inmiddels van groen in een glimmend rood overgegaan.
Na een snel aangemaakt haardvuur en een lekkere spaghetti om weer wat energie te krijgen maakte ik een ronde door het huis.
Dat had ik voor een goede nachtrust beter kunnen uitstellen tot de volgende dag: een barrostroom had zijn weg weten te vinden door de linkerkamer, waar de fossielenuitstalling een luisterrijk element kreeg toegevoegd door de aanwezigheid van 5 centimeter modder op de vloer.
Een holenmens zou er zich thuis in voelen. Ook bleek het overvloedige regenwater zich vergrepen te hebben aan het aan de andere kant gelegen appartement en had voor een heuse overstroming, inclusief afdrijvende vloerkleden, gezorgd.
Het enige wat troost bood op de benedenverdieping was mijn padjesstoelenkwekerij in de kleine almacen: door het hoge vochtgehalte in de lucht was de groei geëxplodeerd tot een zee van heerlijk zwammig voedsel.
De dagen daarop ben ik druk bezig geweest de schade te herstellen en omdat het, zoals het hoort hier, weer schitterend weer was, kon ik het moeilijk een straf noemen.
Net toen ik alles weer een beetje op orde had, was ook Renata klaar met het doorploegen van mijn manuscript (ruim 400 bladzijdes).
Tijd voor bespreking dus.
Het werd een pijnlijke bevalling. Volgens haar had ik een leuke soap geschreven, maar van de bedoeling die ik met de roman had toen ik begon te schrijven was weinig meer terug te vinden. Kort maar krachtig gezegd: tijdens de drie maanden schrijven was ik in mijn enthousiasme het padje kwijt geraakt.
Na twee dagen wonden likken en twee nachten die ik het liefst vergeet, heb ik de knoop doorgehakt: ik ga het hele boek opnieuw schrijven. Ik wil geen soap op mijn naam, die zijn er al veel te veel.
Maandag ga ik beginnen, met zicht op het stuwmeer dat eindelijk, na zes jaar, weer bijna helemaal vol is en er fantastisch uitziet.
Hopelijk zal dat ook het geval zijn met mijn nieuwe manuscript straks.
Voordeel van het padje kwijt zijn?
P.S.
Aangezien de markt de afgelopen tijd net een ‘pad’ te ver lag, hebben wij ons – deze twee weken - vergrepen aan de padjesstoelenkolonie uit de kelder; spaghetti met zwammen, Pad Thai met padjesstoelen, broccoli met paddo’s en als sluitstuk vandaag: padjestoelenkroketten.
Werkelijk verrukkelijk!
Voor de liefhebber hier het recept, (teruggebracht naar handzame hoeveelheden voor diegene die zelf geen kweek heeft)
300 gram paddestoelen (maakt niet uit welke)
1 ui
1 Spaans pepertje, heel fijn gehakt
olijfolie
3 dl bospaddestoelen bouillon (van een blokje of zelf gemaakt)
80 gram boter
8 eetlepels bloem
1 eetlepel verse bieslook gehakt
200 gram panko (dit is Japanse paneermeel, te halen bij elke toko)
1 eetlepel gedroogde rozemarijn (of verse, maar dan wel héél fijn gehakt)
1 eetlepel gedroogde basilicum (of… inderdaad, u raadt het al)
4 eieren, losgeklopt
zout
peper
Hak de paddestoelen fijn, snipper de ui en bak ze samen met het Spaanse pepertje en wat peper en zout in een scheutje olijfolie tot ze net zacht zijn.
Smelt de boter, voeg als hij bruist 5 eetlepels bloem toe en blijf roeren tot de roux licht begint te verkleuren.
Giet er langzaam al roerend de bouillon bij tot je een mooie ragout hebt. Voeg de paddestoelen-ui mix toe samen met de bieslook, roer het geheel een paar keer om en laat het afkoelen in de koelkast (minimaal 2 uur).
Verdeel de opgestijfde ragout in 8 (of als je dikke kroketten wilt 6) gelijke portiesen maak van elke portie een kroket. (Je handen tevoren even natmaken helpt).
Meng de panko, de rozemarijn en basilicum goed door elkaar.
Rol elke kroket licht door de bloem, daarna door het ei en vervolgens door het paneermengsel. Bij twijfel en voor mensen die van een nog knapperige korst houden (zoals ondergetekende) vervolgens een tweede keer door het ei en door de paneer.
Laat ze daarna een uurtje rusten in de koelkast.
Ik bakte ze daarstraks op 170 graden tot ze mooi bruin waren (ca. 2 minuten).
Gisteren bereikte ons in het zonnige en warme Zuid Spanje (het was afgelopen twee weken tegen de dertig graden hier, strandweer met snorkelengenot dus in de spaarzame vrije tijd die we onszelf gunnen tijdens het zelfgekozen dubbele schrijverskluizenaarsschap) een droevig bericht uit het natte en koude kikkerlandje dat we telkens met zoveel heimwee na een snel en kort bezoek met een grote grijns achterlaten.
Na Hoge Commissaris-Ruud met de losse handjes, Ontwikkelings-Jan met de rode neus, NAVO-Jaap met het vingertje en strenge Neelie met de leesbril krijgen we geen jokkende President Jan Peter met Harry Potter looks.
Want laten we eerlijk zijn, als je de toespraak van Jan Peter op het laatste CDA-congres goed beluisterd hebt (niet dat ik dat gedaan heb hoor, ik heb wel wat beters te doen dan dit soort evenementen te frequenteren, maar gelukkig bestaat er internet) kan je alleen maar concluderen dat hij de afgelopen jaren een zodanige weerzin tegen zijn eigen land heeft opgebouwd dat alleen al de gedachte aan een mogelijk vertrek naar het buitenland voor de arme man een verademing moet zijn geweest en dat zijn aanhoudende bewering niet in de race te zijn voor de functie van President van Europa alleen maar op een, zoals te verwachten weer mislukkende, typisch Nederlandse benoemingstaktiek berustte.
Nu heeft Jan Peter het ook niet gemakkelijk gehad de laatste tijd, zijn stuntelige optreden tijdens de algemene politieke beschouwingen en de kritiek die hij kreeg op zijn aanvankelijke afwezigheid tijdens het AOW-debat omdat hij vond dat het niet belangrijk genoeg was om daar zijn opwachting te maken, zal hem niet in de koude kleren zijn gaan zitten. Maar om je eigen land in het openbaar af te schilderen als “een land dat vol overlast, onverdraagzaamheid en veiligheid zit en dat soms in het eigen zwerfvuil lijkt om te komen” terwijl je zelf de afgelopen acht jaar de touwtjes in handen hebt gehad, is nogal wat. Zelfs in Spanje haalde het de pers.
In dat licht kan je je voorstellen dat Merkel en Sarkozy gedacht moeten hebben dat Jan Peter beter thuis kon blijven om daar de boel op orde te maken.
Vriend en vijand in Nederland rouwt.
De eerste omdat we als klein landje een hoge internationale functie zijn misgelopen en de tweede omdat hij dacht had dat we eindelijk van die verschrikkelijke man af waren.
Het liefst zou ik nu natuurlijk een blog over het feit dat Barack Obama de Nobelprijs voor vrede gewonnen heeft willen schrijven. Maar omdat ik verwacht dat de kranten daar de komende week vol mee zullen staan – het is natuurlijk niet niks dat de kersverse grote baas van een land dat volgens sommige ingewijden nog steeds, ondanks alle goede veranderingen die de man sinds zijn beëdiging beloofd heeft, als de grootste agressor op aarde geschouwd moet worden al binnen twee weken na zijn aanstelling genomineerd moet zijn (de uiterste aanmeldingsdatum was 1 februari jl) en na 263 dagen regeren de prestigieuze prijs wint - pak ik maar een ander ‘hot’ item bij de strot.
Roman Polanski.
En dan wil ik het niet hebben over het feit of iemand die een meisje van 13 Methaqualone - de GHB van de 60er en 70er jaren voor het geval u dat per ongeluk nog niet wist – en alcohol voert en daarna seks met haar heeft wel of niet uitgeleverd mag worden ruim 31 jaar na dato – seks met kinderen is mijns inziens per definitie fout omdat er nooit sprake kan zijn van enige gelijkheid, lees daar De Kindervriend maar eens op na – maar wat tegenstanders van zijn uitlevering allemaal te berde brachten.
Allereerst worden het feit dat hij als Joods kind in het getto van Krakau zat tijdens de Duitse bezetting van Polen en de moord in 1969 op zijn vrouw en actrice Sharon Tate van stal gehaald. Alsof je je om die reden wel als veertiger aan een kind van dertien mag vergrijpen.
Ook wordt vaak naar voren gebracht dat het kind het waarschijnlijk uitgelokt heeft en nog kwadere tongen beweren dat de moeder van het kind erachter zat. Beide mogelijkheden zijn inderdaad niet uit te sluiten maar dan nog is het aan de volwassene of hij erop ingaat of niet. Iemand die in Honduras - om maar eens een land te noemen waar kinderseks vanwege de armoede welig tiert - door een wanhopige moeder haar zoontje of dochtertje krijgt aangeboden, kan zich ook niet achter dat gruwelijke feit verschuilen als hij op de aanbieding ingaat.
De NRC-webredactie gooit het over een andere boeg. Zij is van mening dat de communis opinio - een geleerde term voor de algemene mening, blijkbaar heeft de NRC iets hoog te houden – stelt dat Polanski “ net als ieder ander” moet boeten voor wat hij heeft gedaan maar dat Polanski niet iemand “als ieder ander” is. Immers, zo schrijven zij, “ieder ander” kan zich, ook na een grove misstap, min of meer onopvallend rehabiliteren, maar Polanski’s beroep en talent verhinderen anonimiteit.
Plat gezegd staat er volgens mij: neuk (excusez le mot) een kind, hou je daarna gedeisd en je komt ermee weg.
Of ik deze stellingname erger vind dan die van de Poolse advocaat Piotr Kruszynski ‘In Polen verjaart zelfs moord na dertig jaar’ weet ik nog niet. Daar moet ik nog eens goed over nadenken.
Vandaag werd er een nieuw hoofdstuk aan de Polanski-zaak (klucht?) toegevoegd. Frédéric Mitterand, neef van oud-president Mitterand en minister van Cultuur van Frankrijk, schreeuwde na de arrestatie van Roman Polanski moord en brand. In eerste instantie denk je dan: die man wil gewoon een Franse onderdaan beschermen.
Maar dat blijkt niet het geval. In 2005, toen hij nog geen idee had dat hij later tot het ministerschap geroepen zou worden, publiceerde Frédéric een autobiografie getiteld Het Slechte Leven. In dat boek beschrijft hij zijn seksuele ervaringen met jonge mannen in Zuid-Oost Azië. In vaak niet mis te verstane bewoordingen zoals bijvoorbeeld: Al die rituelen op de markt voor jongens, de slavenhandel, wonden me enorm op.
Ofschoon er in de Franse tekst toch duidelijk garçons staat, beweert hij nu dat de term ‘jongens’ breed opgevat moet worden. 13-jarigen misschien, mijnheer Mitterand?
Ook is het boek volgens hem ineens geen pure autobiografie meer. Nu denk ik dat hij dáár in elk geval niet over liegt, waarschijnlijk heeft hij de ergste scènes voor de veiligheid maar weggelaten.
Na alles wat ik de afgelopen weken heb gelezen en gehoord heb in de media verbaasd het me in elk geval niet dat seksueel misbruik van kinderen nog steeds op zo´n grote schaal plaatsvindt.
En voor Barack Obama én de Nobelcommissie hoop ik maar dat Noorwegen geen uitleveringsverdrag met bijvoorbeeld een paar landen in het Midden-Oosten heeft.
Onderstaande blog is van ruim een jaar geleden is een wezenlijk onderdeel van mijn lezingen.
Daarom haal ik hem nu op veler verzoek weer “uit de kast”.
De Kindervriend is inmiddels 4 maanden uit.
De Duitse en Spaanse vertaling zijn in de maak, de tweede druk staat voor de deur.
Het blijft actueel als je het nieuws van de afgelopen weken volgt.
De afgelopen decennia is duidelijk geworden dat een aantal priesters het woord geloofsgemeenschap als een cryptische omschrijving van Meulendijks voor iets heel anders opgevat heeft.
Ruim een week geleden ( was in april 2008, JH), in het vliegtuig op weg naar de Verenigde Staten, zegt paus Benedictus XVI (Joseph Ratzinger) dat hij zich diep schaamt voor het seksueel misbruik van jongeren door priesters. Een vreemde opmerking, het moest er nog bij komen dat hij zich niet schaamde. Een dag later in zijn toespraak tot 400 Amerikaanse bisschoppen in Washington laat hij de wereld weten dat hij het eens is met de vlak daarvoor uitgesproken woorden van kardinaal Francis George van Chicago dat de crisis met pedofiele priesters “soms erg slecht is aangepakt.” Dat hij niet gewoon zelf zegt dat de Kerk er een puinhoop van heeft gemaakt maar een kardinaal als spreekbuis gebruikt is typisch voor deze kerkvorst. Zo kan hij zich altijd achter een rug verschuilen. Wat hij wel zelf aanvoert is een excuus: het schandelijk gedrag van een aantal van zijn priesters komt vooral door de verandering van de seksuele mores van onze moderne tijd. Zoals altijd weet hij het mooi te verwoorden: de kinderen moeten beschermd worden “tegen de vernederingen van de wrede manipulatie van de seksualiteit die de moderne samenleving tegenwoordig domineert.”
“Paus erkent slechte aanpak pedofiele priesters,” koppen de kranten. Je vraagt je dan meteen af of hij er nu ook eindelijk iets aan gaat doen en openheid van zaken geeft of dat het niet meer dan een loze kreet is in een poging de vertrouwensbreuk tussen de Rooms-katholieke geestelijken en hun kudde te herstellen?
In 1962 verschijnt er onder de verantwoordelijkheid van kardinaal Alfredo Ottaviani, op dat moment de prefect van de Heilige Officie, het orgaan van de Romeinse Curie dat tegenwoordig de Congregatie voor de Geloofsleer heet, een Vaticaans document. Het door de toenmalige paus Johannes XXIII goedgekeurde schrijven draagt de naam Crimen sollicitationis. Dit is de kerkrechtelijke term voor de misdaad die een priester begaat als hij met een biechteling voor, tijdens of na de biecht seks heeft of een poging daartoe doet. Of, in wat normalere bewoordingen:seksueel misbruik door priesters. Het is een zeer geheime document en beschrijft wat een bisschop of abt moet doen als zich zo’n misdaad voordoet. Want het heilige biechtgeheim moet natuurlijk beschermd worden. Dat het niet alleen over seksueel misbruik jegens volwassenen gaat en dat de Kerk reeds in 1962 goed weet dat er zich binnen haar muren ook ernstige vergrijpen jegens kinderen plaatsvinden blijkt uit een van de hoofdstukken (titel V). Dat gaat over de crimen pessimum, “de allerergste misdaad”. Naast seks met personen van hetzelfde geslacht of met dieren wordt daarbij ook expliciet seks met kinderen genoemd.
Een hele tijd is het bestaan van het document alleen maar in kleine kring bekend. Zelfs de meeste bisschoppen weten er niets van. Dat verandert als ze in mei 2001 een brief van kardinaal Joseph Ratzinger krijgen, op dat moment de prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer. De toekomstige paus draagt hen daarin op om beschuldigingen van kindermisbruik intern te onderzoeken en de afhandeling in het diepste geheim te doen. De schade aan de Kerk moet zoveel mogelijk beperkt blijven. Als handleiding voor die geheimhouding geldt de crimen sollicitationis. Doe je als gewone gelovige aangifte van seksueel misbruik of ben je aanklager of getuige in een kerkelijke strafproces dat daarop betrekking heeft, dan moet je een gelofte van geheimhouding afleggen. Om niet in de knoei te komen met de wereldlijke macht heeft de Kerk een van haar handigheidjes van stal gehaald: op het schenden van de eed staat voor de aangever geen straf behalve wanneer de bisschop of abt bij wie aangifte gedaan wordt de betrokkene er op wijst dat het strafbaar is. In dat geval word je geëxcommuniceerd, een straf die in onze Westerse wereld misschien niet zo’n indruk maakt maar bijvoorbeeld in zeer katholieke delen van Midden en Zuid Amerika of op de Filippijnen zo ongeveer het ergste is wat een gelovige kan overkomen: men wordt openlijk aan de schandpaal genageld en buiten de gemeenschap geplaatst. Ook degenen die betrokken zijn bij de organisatie van het strafproces mogen natuurlijk niet uit de school klappen. Stel je voor, als die een boekje open zouden doen weet meteen heel de wereld dat wat er aan seksueel misbruik zo af en toen per ongeluk naar buiten komt slechts het topje van de ijsberg is. De eed die zij moeten afleggen is de perpetuo silentio, de “eeuwige stilte”, en omdat zij in dienst van de Kerk zijn hoeven er nu geen juridische constructie verzonnen te worden. Schend je de eed dan word je standrechtelijk geëxcommuniceerd.
De “eeuwige stilte” is een fantastische uitvinding: alle rotzooi blijft binnenshuis, priesters die zich aan kinderen vergrepen hebben blijven uit handen van de politie zodat het afnemende aantal geestelijken niet nogmaals een dreun krijgt en de advocaten van de slachtoffers vissen achter het net. Dat zo de rechtsgang ernstig belemmerd wordt, daaraan heeft Joseph Ratzinger geen boodschap, de scheiding tussen Kerk en Staat moet ook in dit soort gevallen gerespecteerd te worden. Het interesseert hem,ondanks het feit dat er genoeg schrijnende voorbeelden boven water komen, blijkbaar niet dat hierdoor priesters na hun overplaatsing net als in vroegere tijden gewoon door kunnen gaan met het misbruiken van kinderen en dat als de kerkelijke rechtbank bij uitzondering een keer de hoogst mogelijke straf uitspreekt - uitzetting uit het priesterambt en excommunicatie - de maatschappij nog steeds niet beschermd wordt tegen dit soort mensen.
Hoeveel gevallen van misbruik er in Nederland de afgelopen decennia zijn geweest, is moeilijk te zeggen. Bekend is dat er in de Verenigde Staten tussen 1950 en 2002 minstens 4400 geestelijken meer dan 10.000 kinderen hebben misbruikt en dat volgens de organisatie van Amerikaanse Bisdommen 4 % van alle priesters in Amerika zich wel eens hebben vergrepen aan een jongetje. De laatste jaren zijn er hier wel een aantal gevallen bekend geworden - het jaar 2002 spant daarbij de kroon met 47 aangiftes - maar wat er zich voor 1975 heeft afgespeeld binnen de Kerk is vrijwel onbekend. Een van de redenen is de verjaringstermijn in Nederland: voor aanranding twaalf jaar en voor verkrachting vijftien. Nu gaat die termijn pas in wanneer het slachtoffer achttien jaar geworden is maar veel maakt dat niet uit. Meestal duurt het tientallen jaren voor iemand zover is dat hij of zij voor het misbruik uit durft te komen. Ook de “eeuwige stilte” speelt een rol. Niet voor niets verbreekt verzekeraar Aegon in november 2001 de banden met de Rooms-katholieke Kerk, na 45 jaar lang de wettelijke aansprakelijkheid van alle medewerkers daarvan te hebben verzekerd. Hoe ze het durven snap ik nog steeds niet, maar het bisdom Rotterdam vindt dat de vergoeding van 100.000 gulden die ze betaald hebben aan een meisje dat jarenlang seksueel is misbruikt door een pastoor uit het Zuid-Hollandse Alkemade volgens de polisvoorwaarden bij de verzekeraar geclaimd kan worden als letselschade. Aegon echter beroept zich op het feit dat de Kerk de polisvoorwaarden heeft geschonden door eerdere gevallen niet te melden: uit onderzoek van een landelijk dagblad is gebleken dat er sinds 1996 minstens veertig gevallen van seksueel misbruik zijn geweest die de Kerk buiten de publiciteit heeft gehouden en waarvan geen aangifte is gedaan bij het openbaar ministerie. Wat dat betreft onderscheidt de Nederlandse Kerk zich dus maar weinig van de Amerikaanse.
De uitspraken over seksueel misbruik binnen de Kerk die de paus tijdens zijn bezoek aan de Verenigde Staten deed lijken slechts een onderdeel te zijn van een charmeoffensief om zieltjes terug te winnen en de publieke opinie in slaap te sussen. Want in werkelijkheid wordt nog steeds alles zoveel mogelijk in de doofpot gestopt onder het mom dat de Kerk het zelf wel zal regelen. Zijn oproep aan de Amerikaanse bisschoppen om weerstand te bieden aan “elke tendens om godsdienst te behandelen als een privéaangelegenheid” blijkt niet voor de Kerk zelf te gelden. De “eeuwige stilte” moet gehandhaafd blijven, ook al houdt dat in dat de meeste priesters die kinderen misbruikt hebben en soms nog steeds misbruiken gewoon vrij rond kunnen blijven lopen.
Zich beroepen dat hij niet wist dat dit soort zaken zich voordeden binnen de R.K. Kerk kan de paus ook niet. Begin jaren tachtig is er in zijn eigen diocees in Zuid-Duitsland ook minstens één priester “overgeplaatst” vanwege seksuele handelingen met kinderen.
Sinds twee jaar heb ik een manuscript in de kast liggen. Pater Noster, het schrijnende verhaal van een jongen die op missionaris wil worden. Het speelt zich af op internaten en het seminarie en is voor een deel autobiografisch. Al maanden hik ik er tegenaan om het te verwerken in een thriller waarvan ik zelfs de details al in mijn hoofd heb, maar telkens vind ik voor mezelf een smoes om het uit te stellen. Wat dat betreft spraken de emoties die boven kwamen tijdens mijn verblijf in het internaat in Belarus boekdelen. Maar na de schijnheilige vertoning van mijnheer Ratzinger weet ik één ding zeker: morgen ga ik ermee aan de slag!
Boeken zijn net kinderen.
Het begint met een zaadje dat zich nestelt.
Als de voeding goed is groeit en groeit het tot het uiteindelijk een miniatuurmensje wordt, met een hoofd, armpjes en beentjes.
Vervolgens zijn er de eerste stappen, de eerste woorden, het eigen willetje… en langzaam maar zeker ontwikkelt het kind zich met jouw hulp en toewijding tot een zelfstandig wezen.
En dan is er de Grote Dag: je kind vertrekt de wijde wereld in en met vertrouwen maar evenzoveel angst en beven moet je het zijn eigen weg laten volgen, hopend op berichten dat het zelfstandige bestaan allemaal zonder kleerscheuren mag verlopen.
Heb ik als ouder wel aan alles gedacht? Heb ik alles wel goed gedaan?
Zo is het ook met een boek wanneer het voltooid is en zijn weg moet gaan vinden naar de lezer.
Mijn geesteskind ‘De Kindervriend’ is nu bijna twee maanden op de markt. Hoe vergaat het hem?
Wel, de reacties zijn meer dan positief (zoals uit onderstaande aanbeveling voor de Nederlandse bibliotheken bijvoorbeeld blijkt), weekblad de Margriet heeft het boek tot een van haar zomertips uitgeroepen, de meest katholieke website van Nederland (www.isidorusweb.nl) prijst het aan, de kranten beginnen er, zij het heel mondjesmaat en nog veel te weinig, aandacht aan te besteden en de verkoop komt ondanks de conservatieve houding van veel boekwinkels –Jose Hennekam? De Kindervriend? Nooit van gehoord. Maar we kunnen het boek wel bestellen hoor, als u dat wil - langzaam maar zeker op gang.
Er gebeurt echter ook iets anders, iets wat ik helemaal niet verwacht heb.
Uit het hele land krijg ik mails van mannen die vroeger hetzelfde is overkomen. Lotgenoten die het nog steeds als een groot geheim met zich meedragen en er soms bijna dagelijks mee worstelen. Volwassen mannen, vaders, grootvaders, die het nog nooit tegen iemand hebben durven te vertellen. Zelfs niet tegen hun vrouw.
Van een paar ervan herkende ik meteen de naam, ze zaten bij mij op school! Dezelfde pater, dezelfde broeder, dezelfde smoes soms “ik ken je ouders heel goed…” Ongelooflijk! Je maag krimpt ervan ineen.
Het is alsof De Kindervriend een beerput heeft opengetrokken.
Opmerkingen als: ‘Wel ben ik blij dat er van die viezeriken geen een van allen meer leven is’ en ‘de broeders en paters zijn allemaal verhuisd naar een bejaardentehuis in … Misschien kunnen ze daar elkaar ´helpen´ en doen ze verder geen kwaad meer’ zeggen genoeg.
En zo niet, lees dan een paar van de reacties op mijn vorige blog maar eens (u kunt die bovenaan de bladzijde aanklikken).
Heeft u De Kindervriend al gelezen? Dan ben ik benieuwd naar uw reactie.
En vond u het een goed boek, laat het dan iedereen in uw omgeving weten (al is misschien niet het allervrolijkste vakantieboek of verjaardagscadeau).
Prettige vakantie en lees ze.
Jose Hennekam
En mocht u nog twijfelen of aarzelen om het boek aan te schaffen… misschien helpt u onderstaande aanbeveling.
Door A. van den Berg-Brandt
Een idealistische, vermaarde fotograaf maakt in Honduras foto’s van straatkinderen. Als er een verdwijnt, raakt hij in een moeras van kindermisbruik, nu en in zijn verleden. Het chronologische verloop van de nogal zwaar aangezette plot wordt onderbroken door veelvuldige flashbacks naar de onaangename rooms-katholieke internaatsjeugd van de protagonist, de ik-verteller. Andere personages en gebeurtenissen worden door een alwetende verteller gebracht. Dit zorgt voor snelle perspectiefwisselingen met een goede spanningsboog met op de laatste bladzijden nog een wending, waardoor er iets op zijn plaats valt. Levendige tekening van het kinderopvanghuis en de armoede in Honduras, met een sociaal bewogen ondertoon. de karakters worden psychologisch goed uitgewerkt.
Het taalgebruik is hedendaags, soms ruw, en er zijn enkele harde scenes. De intrige is actueel door de recente berichtgeving over seksueel kindermisbruik door priesters. Paperback met kleine druk.
Wist u overigens dat Aloysius Gonzaga, de patroonheilige en naamgever van Saint Louis, het internaat waar een deel van De Kindervriend zich afspeelt, als symbool van de kuisheid en in het bijzonder tegen seksuele verzoekingen aangeroepen werd?
Rennen naar de boekhandel dus, want elke boekwinkel heeft maar een paar exemplaren op voorraad (lees blog Malaise in boekenland).
Maar hopelijk gaat dat door U veranderen !
Hoe? Heel eenvoudig:
1. Ga niet zelf op zoek in de winkel maar vraag aan de balie naar de thriller “De Kindervriend” van José Hennekam.
2. Zeg erbij dat je gehoord hebt dat het zo’n fantastisch boek is (en dat is het natuurlijk ook )
3a. Als ze je wijzen waar het ligt koop dan uw exemplaar (twee of meer mag vanzelfsprekend ook. Leuk cadeautje voor een vriend of vriendin). Leg ook meteen alle eventuele andere aanwezige exemplaren op een opvallende, duidelijk zichtbare plaats met de schitterende omslag naar boven.
3b. Hebben ze het boek niet (meer), wees dan ontzettend teleurgesteld en vraag wanneer ze het weer in huis zullen hebben. Ga daarna meteen naar een andere boekwinkel en begin weer bij 1.
Start daarnaast een buzz.
Dat doet u als volgt:
1. Stuur heel uw familie en al uw vrienden en kennissen een mail, vertel ze dat je graag een ontzettend goed boek (eerst lezen mag :) ) wilt promoten en vraag of ze willen helpen en stap 1 tot en met 3 van hierboven willen uitvoeren.
2. Praat over het boek! Op feestjes, bruiloften en partijen, op het werk, in de kroeg, tijdens het voetballen, golfen of welke sport u ook beoefent, laat geen kans voorbij gaan om het niet in geuren en kleuren over “De Kindervriend” te hebben.
3. Kent u mensen die in hun jeugd op een internaat hebben gezeten (daar moeten er nog een hele hoop van in leven zijn) vertel ze dan dat ze dit boek absoluut niet mogen missen. (en dat is natuurlijk ook zo)
4. Zit er een journalist(e) tussen uw vrienden of bekenden? Trek hem/haar aan zijn/haar jas !
5. Ben u een Blogger, Twitter, Hyver, Facebooker of Myspacer, schrijf erover !
Nu hoor ik u denken: ja, je kunt me wat !
Waarom zou ik al die moeite voor dat boek doen ?
Vier redenen:
1. Hoewel het een thriller is, heeft “De Kindervriend” een duidelijk centraal thema, namelijk seksueel misbruik van internaatskinderen vroeger en nu. De schandelijke rol die de Katholieke Kerk daar vaak bij speelt wordt in het boek duidelijk voor het voetlicht gezet.
En dat laatste is hard nodig !
Want het gebeurt nog steeds !
Het verhaal is overigens deels non-fictie, dwz het berust voor een deel op gebeurtenissen die werkelijk plaats hebben gevonden.
2. Volgend jaar komt Pjotrs Borsjt uit, de roman die ik geschreven heb voor de Stichting Weeshuizen Belarus en waar de opbrengst van naar die Stichting gaat. Als “De Kindervriend” een (best)seller wordt is de kans groot dat het met Pjotr ook zal gebeuren en dat betekent meer geld voor de Stichting.
3. Het is gewoon leuk om te ondervinden dat je met een kleine groep en met heel weinig moeite een enorme invloed kunt uitoefenen op de verkoopcijfers van een boek. Mocht het straks een bestseller worden, dan kunt u zeggen: daar heb ik mede voor gezorgd.
4. U doet er mij een enorm plezier mee en dus uzelf (geven is volgens Oprah helemaal in, het schenkt je veel meer plezier als krijgen, vandaar )
Maar wat u ook doet, ik wens u allen in elk geval heel veel leesgenot toe met “De Kindervriend”.
Waar is de tijd gebleven dat ik voor een bezoek aan de boekhandel op zijn minst een middag reserveerde? Een uitje, een traktatie. Het opgewonden gevoel wanneer ik over de drempel stapte en een andere wereld betrad.
Wat zeg ik: één wereld? Duizenden onbekende werelden strekten zich voor me uit, noodden me uit mijn vingers over de kaften te laten strijken en de geur van het papier te ruiken. Tussen de eindeloze schappen stonden strategisch stoeltjes opgesteld om de ontdekkingsreiziger in alle rust de gelegenheid te geven mogelijke vondsten in zich op te nemen. Hier, in het domein van verhalen, hield de buitenwereld even op te bestaan. Dreigde ik te verdwalen in het overweldigende aanbod, dan dook er direct een gids op – de ogen glanzend door de gedeelde boekenliefde – en hielp me op weg om me daarna discreet mijn zoektocht te laten vervolgen.
De grote en vermaarde auteurs trof ik hier, maar ik voelde me vooral verheugd bij het aantreffen van onverwachte schatten; onbekende schrijvers die mij verrasten met meeslepende en grootse verhalen.
Soms kwam ik beladen met boeken thuis, andere keren met lege handen, maar altijd met het gevoel van goedbestede tijd.
Helaas, de tijden zijn veranderd.
Het ‘expeditiegevoel’ vind ik soms nog terug in de zeldzaam geworden goede boekhandels. Alleen door de schaarse geografische dekking gaat er een stuk van de pret verloren vanwege de reistijd die ik daarvoor kwijt ben; een rondgang door de bibliotheek wil mijn nood tijdelijk lenigen, helaas ontbreekt hier het gevoel van verrukking en geur van het openen van een maagdelijk nieuw boek en beperken tijd en fondsen veel bibliotheken tot avontuurlijker aanschaffen dan door verkoopcijfers aangeprezen exemplaren; rondkijken in de ramschj laat mijn wenkbrauwen regelmatig de lucht in schieten, gezien de geweldige schrijvers die er soms tussen het puin aan te treffen zijn.
Maar over het algemeen is het malaise in boekenland.
De stapels met top-tienen – waarvan de plaatsen al dan niet met een flinke zak geld zijn verworven – gevestigde namen en de gegarandeerde bestsellers, die in de gemiddelde boekhandel staan uitgestald, zijn dezelfde als welke ik op mijn wekelijkse rondje bij de grootgrutter aantref. En nu het woord ‘economische crisis’ ook bij de boekhandel is binnengekomen, is de inkoop van boeken zonder megaverkoopgarantie tot nihil gedaald.
Hoog tijd dus om nieuwe manieren te vinden en uit te proberen om je boek aan de man te brengen. En ze zijn er!
Zo heeft Tommy Wieringa om zijn roman Joe Speedboot toch in de winkels te krijgen een paar jaar geleden de volgende truc toegepast: hij heeft al zijn vrienden en kennissen een mail gestuurd om de week daarop in minstens twee boekenwinkels naar zijn boek te vragen en dit verzoek door te sturen naar al hun vrienden en kennissen. En het werkte, zijn boek werd een bestseller en terecht, want het is goed en vernieuwend.
Mijn bekroonde Spaanse collega schrijver Francisco Romero (www. ebaobab.com) uit Almagro – nog nooit van dat stadje vlakbij Ciudad Real gehoord? Google het op en de eerstvolgende keer als u naar Spanje gaat wilt u er vast heen – heeft sinds een paar jaar een andere manier ontwikkeld om zijn romans aan de man te brengen: hij is zelf een klein winkeltje begonnen in het hartje van de stad. 10 m2, groter is het niet, maar voor hem groot genoeg.
De enige boeken die hij daar verkoopt zijn die van hemzelf en elke koper krijg vanzelfsprekend een gesigneerd exemplaar. Het loopt lekker, de winst die normaal de boekwinkel in zijn zak steekt – boekwinkels verdienen het meest aan een boek, daarna komt de uitgever en helemaal op het laatst krijgt de schrijver een percentage - is nu ook voor hem en dat betekent dat hij al bij 2.000 verkochte exemplaren per jaar van zijn schrijverij kan leven. En in de tijd dat er geen klanten zijn schrijft hij een nieuwe roman of drinkt hij een glaasje op het terras van zijn buurman.
Del autor al lector (van de schrijver naar de lezer), misschien is dat de toekomst. Op een aantal plaatsen in Nederland een schrijversstraat creëren, met allemaal miniwinkeltjes waar auteurs gedurende een periode van twee maanden kunnen schrijven en verkopen. Daarna komt er een nieuwe lichting.
Gezellig een middagje schrijversstraat in plaats van naar de Kalverstraat, en om de twee maanden is heel de collectie vernieuwd. Weg met de saaie signeersessies, direct contact tussen schrijver en lezer.
Echter, tot het zover is zal ik me van andere strategieën moeten bedienen. Dus misschien dat ik eind april wanneer “de Kindervriend” uitkomt de Tommy Wieringa-truc maar uit de kast haal (bereid u er alvast maar op voor).
Of heeft u een beter idee? Elke suggestie hoe ik mijn doelgroep (mensen die van thrillers met diepgang houden, oud-kostschoolgangers en kerkvaders) kan bereiken juich ik toe.
Voor diegene onder u die de achterflaptekst van “ De Kindervriend” nog niet op mijn website heeft gelezen: de thriller gaat over seksueel misbruik van kinderen door de Kerk en speelt zich af in het heden (Honduras) en het verleden (mijn kostschooljaren). Het is een spannende, en vaak ook ontroerend roman, waarin fictie en non-fictie met elkaar zijn verweven.
Ik ben benieuwd waarmee u komt.
(En de beste drie tips krijgen natuurlijk straks een gesigneerd exemplaar cadeau. Dat spreekt voor zich)